*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79611 ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[1]

[Inhoud]

☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜

UITGAVE VAN DEN ROMAN-, BOEK- EN KUNSTHANDEL—SINGEL 326,—AMSTERDAM.

Alleenvertegenwoordigers voor België: Bestelhuis voor den Boek- en Dagblad handel.

[Inhoud]
DE WITTE TERREUR.

DE WITTE TERREUR.

HOOFDSTUK I.

Van den os op den ezel.

De zon stond op het punt onder te gaan, toen één der weinige treinen die nog met tamelijke regelmaat liepen, het station van Temesvár binnenreed, komende uit Boedapest.

Onder normale omstandigheden zou de trein over dien afstand zeker niet langer gereden hebben dan een uur of vijf, maar thans was hij bijna den geheelen dag onderweg geweest, want telkens had hij moeten ophouden, nu eens, omdat het spoor volkomen versperd was door een rij, voor het meerendeel ledige goederenwagens, dan weder, omdat het niet veilig zou zijn door te rijden daar men volstrekt niet wist, of de Rooden een kilometer verder het spoor niet hadden opgebroken.

Want er kon niet aan worden getwijfeld, sedert eenige weken en ondanks het meedoogenloos optreden van de reactie, die in Hongarije weder aan het roer wist te komen, dat de revolutie opnieuw het hoofd opstak en dat in sommige gedeelten van het zwaar bezochte land de Rooden opnieuw naar de wapens hadden gegrepen.

Want hoe zorgvuldig het land ook afgezocht was door de patrouilles der Witten, toch hadden de revolutionairen blijkbaar nog vele duizenden geweren, millioenen patronen en zelfs mitrailleurs weten te verbergen.

Van een georganiseerden opstand was wel geen sprake, maar toch waren op heel wat punten tegelijkertijd opnieuw opstanden uitgebroken, niettegenstaande het schrikbewind, door de reactie uitgeoefend en men kon er niet aan twijfelen, of er moest hier gedacht worden aan onderlinge afspraak.

Op enkele punten was deze poging der Communisten, om weder de macht in handen te krijgen, in bloed gesmoord, maar elders hadden zij wanhopigen tegenstand geboden en zelfs eenige voordeelen weten te behalen.

Ten Zuiden van Temesvár, ten tijde, waarop ons [2]verhaal een aanvang neemt, werd reeds eenige dagen hevig gevochten en ook de Rooden maakten daar zelfs gebruik van kanonnen, waarvan zij zich bij verrassing hadden weten meester te maken.

Zij hadden zich verschanst in het woeste gebergte en namen daar een stelling in, waarvan de sterkte niet te miskennen viel.

Al deze troepen bestonden uit mannen, die een duren eed hadden gezworen, dat zij liever zouden ten onder gaan, dan hunne stellingen prijsgeven, en tegen soldaten, die bezield zijn met zulk een geest, is het moeilijk vechten!

De Witten hadden reeds getracht met stikgassen, met bommen uit vliegmachines en met andere middelen, de Rooden te verdrijven, maar het gas had geen uitwerking, daar de stelling der revolutionairen zich op een hoogte van bijna twee-honderd meter boven de vlakte bevond, waar de Witten zich hadden moeten ingraven, zeer tot hun nadeel en de bestuurders der vliegmachines moesten werkeloos blijven, want de onderkomens der Rooden waren in de rotsen uitgehouwen en bij het minste teeken van onraad konden zij daar binnen vluchten en de bommen hadden op de rots weinig of geen uitwerking.

Aan een bestorming viel in het geheel niet te denken, want dan zouden de Witten een halven kilometer ver geheel onbeschut over de vlakten moeten voortstormen en zij zouden door het mitrailleurvuur zijn weggemaaid, lang voor zij den voet van het gebergte zouden hebben bereikt.

Alleen bij verrassing, door een omtrekkende beweging, zou de stelling genomen kunnen worden, en dan nog slechts ten koste van groote en bloedige offers.

Zoo stonden dus de zaken op een twintigtal kilometers ten Zuid-Oosten van Temesvár, toen de trein uit Boedapest daar eindelijk binnenreed, na een reis van bijna veertien uren.

Het was buitengewoon druk op het perron, waar het krioelde van verschrikte vluchtelingen, die voor de zooveelste maal een goed heenkomen trachtten te zoeken, opgejaagd door hun vrees voor het Roode gevaar.

Men zag daar vertegenwoordigers van alle Balkanvolkeren, en niet alleen inheemsche: Tsjechen, Galicische Joden, Roemeensche Boeren, Serviërs, Turken en Armeniërs, Slowaken, bewoners van Moravië en van de andere Hongaarsche grensgebieden, Grieken, Montenegrijnen, en dan vertegenwoordigers van het oorspronkelijke Magyaarsche ras, met groote vurige oogen en lange, gitzwarte, omlaag wijzende snorren.

En dat alles schreeuwde en tierde door elkander, belegerden den wanhopigen stationschef, die eenvoudig geen raad wist en klommen als bezeten in alle leegstaande wagons, welke er maar te vinden waren, in de dwaze verwachting, dat die van zelf wel ergens heen zouden gaan rijden.

Waar, dat kwam er niet op aan, als zij maar wegkwamen uit dit oord van verschrikking, waar men nu en dan duidelijk het gebulder van het zware geschut kon hooren.

Er zaten niet veel reizigers in den trein, en deze hadden de grootste moeite zich uit hun coupé te werken, die nog vóór het stilstaan van den trein bestormd werd door de wachtende menigte.

Onder deze reizigers waren drie mannen, van wie het op den eersten aanblik ten zien was, dat zij in deze streek niet thuisbehoorden en afkomstig waren uit Noordelijker landen, waar vaker mist en regen heerschen, dan lieflijke zonneschijn.

Een van de drie mannen stak bijna een half hoofd uit boven den grootste van de twee anderen, en die mocht toch werkelijk tot de groote mannen gerekend worden.

Hij was bovendien gebouwd als de Hercules van Farnese en zijn schouders, zijn armen, de wijze, waarop hij het hoofd droeg en zijn voeten neerzette, wezen op een meer dan buitengewone spierkracht.

Hij had een breed, gevuld gelaat, waaruit twee donkerblauwe oogen goedmoedig en vriendelijk de wereld inkeken.

De man droeg een paar zware valiezen met het grootste gemak voort.

De reiziger, die in lengte op hem volgde, was een man van een jaar of veertig, met een lenig en door sport gespierd lichaam, doordringende grijze oogen en een energiek gelaat, dat getuigenis aflegde van een stalen wilskracht en een ondernemingslust, die voor niets terugdeinst.

Hij droeg het hoofd hoog opgericht, als een bewijs, dat hij gewend was, te bevelen, en te zien, dat die bevelen werden opgevolgd.

Hij droeg een donkergrijs reiscostuum en een geruiten reispet en hield een gummi regenjas over den arm. [3]

De derde van het driemanschap was een nog jonge man, sierlijk gebouwd, met vlugge bewegingen en een rond, blozend gelaat, waarin twee groote blauwe oogen schitterden.

De drie mannen hadden zich een weg gebaand door de menigte, waarbij de reus als het ware als ijsbreker fungeerde, hetgeen hem menig scheldwoord op den hals haalde, wat hij echter met de grootste blijmoedigheid verdroeg, daar hij er toch niets van begreep en bereikten zoo den uitgang.

„Ik kan mij niet begrijpen, dat men op het Strand van drukte kan spreken,” zeide de jonge man met de blauwe oogen, in het Engelsch. „Het is hier waarachtig voller dan Zaterdags om één uur in den Underground!”

„Nog een paar minuten geduld, beste Charly en dan zullen wij het doel wel bereikt hebben!”

„Als nu die man met dien onuitsprekelijken naam ons maar niet in den steek laat en gekomen is!” zeide de jonge man zuchtend.

Horváth de Palocza meen je,” zeide Raffles glimlachend. „Hij zal er wel zijn, hij verdient tien millioen kronen aan ons, als alles in orde komt en daar de man blijkbaar niets liever verlangt, dan dat geld zoo spoedig mogelijk in zijn bezit te krijgen, zal hij er wel zijn!”

„Zeg eens eerlijk, Edward, zou je die reis ondernomen hebben, als je bij voorbaat geweten had, wat ons hier te wachten staat?”

„Nu, ik geloof, dat ik mij dan nog wel eens bedacht zou hebben!” antwoordde de aangesprokene. „Het reizen is hier toch al niet bijzonder aangenaam en onder de gegeven omstandigheden is het bepaald een plaag! Maar wij behoeven hier niet langer te blijven dan wij volstrekt wenschen! Wij kunnen terugkeeren, zoodra wij het landgoed gezien en betaald hebben!”

„Dat hoop ik, Edward, dat hoop ik!” riep de jonge man uit. „Het is waar, tien millioen kronen is maar twaalf-duizend-vijf-honderd pond sterling op het oogenblik, maar ik vind het volstrekt geen veilig gevoel met een zoo groot bedrag aan contanten bij ons te loopen, nog afgezien van onze reispenningen, terwijl wij bekneld zitten tusschen de Rooden en de Witten en nog wel in een land als Hongarije! Op mijn woord, hoe eerder wij hier weer vertrekken hoe liever het mij zal zijn. Ik heb trouwens altijd iets gehad tegen een land waar eens de kellner mij op de vraag, hoe hij heette, geantwoord heeft, dat zijn naam was Darányi de Pusztaszentgyörgy! Neem mij niet kwalijk, maar dat is geen Christelijke naam! Wat zeg jij er van Henderson?” zoo wendde hij zich tot den reus, die zich onverstoorbaar een pad baande door de dringende menigte.

„Ik zou het hier geen uur uithouden, mijnheer Brand,” antwoordde de reus, zonder om te zien. „Als ik hier de menschen bij hun naam moest aanspreken, dan zou ik binnen dien tijd mijn tong verstuikt hebben! Ze zeggen, dat Chineesch een moeilijke taal is, maar het is niets, vergeleken bij Hongaarsch!”

De drie reizigers hadden nu juist den uitgang bereikt en daar zagen zij een man uitkijken, voor het tourniket staande en die dadelijk met zijn zakdoek begon te wuiven, zoodra hij de drie vreemdelingen in het oog kreeg.

En toen zij in het bereik van zijn stem waren gekomen, riep hij, in tamelijk goed Engelsch:

„Heb ik het genoegen met graaf Grasham te spreken?”

„Die ben ik, baron!” antwoordde Raffles.

Het volgende oogenblik waren zij het tourniket gepasseerd en stonden nu tegenover een man met een gebruinde gelaatskleur, bijna zoo groot als de reus, die in hun gezelschap was, en eenvoudig gekleed.

Zijn gelaat was bleek en had een droevige uitdrukking.

„Eigenlijk verbaast het mij, dat gij gekomen zijt, graaf!” zeide hij. „Natuurlijk zult gij nu wel kennis dragen van den toestand hier?”

„Ja, baron, maar toen ik tot die kennis kwam, was het reeds te laat om terug te keeren, ik vond het althans de moeite niet meer waard!”

„Mijn rijtuig wacht buiten het station, zoudt gij mij willen volgen? Ik waarschuw u echter, dat gij in mijn huis geen gul onthaal zult vinden, graaf! Ik ben alleen, de Rooden hebben mijn vrouw en mijn twee kinderen vermoord, toen zij op weg waren van mijn schoonouders naar mijn landhuis, en nu weet gij ook de reden, waarom ik mij tot iederen prijs wil ontdoen van mijn bezitting! Het is minder nog de vrees voor die beesten, dan de onduldbare herinnering aan mijn vroeger geluk, die mij uit mijn vaderland verdrijven. Ik wil trachten, naar Amerika over te steken, misschien vergeet ik daar!” [4]

„Uw voorbeeld staat niet alleen, baron,” zeide Raffles op ernstigen toon. „Het is een vreeselijk denkbeeld, nu de wereldslachting gedaan is, dat menschen van één stam en van één geslacht, elkander nog altijd naar de keel vliegen, om een droombeeld, want de mensch zal altijd mensch blijven en in den grond zal er niets veranderen, of iedereen zelf een klein stukje land en wat geld heeft of niet!”

De drie mannen hadden nu het plein voor het station bereikt, waar een paar schamele huurrijtuigen stonden, bespannen met schonkige paarden en twee of drie automobielen, zoo wrak en verveloos, dat de drie reizigers zich verbaasd afvroegen, hoe het mogelijk was, dal deze vehikels zich konden voortbewegen.

Ook de gevel van het station zag er plekkerig, dik met stof bedekt en smerig uit.

Het was duidelijk te zien, dat men zich hier bevond in een land, waar men nog steeds aan heel andere dingen dacht, dan aan het onderhoud van openbare gebouwen, en waar de verf nog steeds schrikbarend duur was.

Voor den hoofdingang van het station stond een soort jachtwagen op vier dunne, hooge wielen, die wel eenigszins geleek op het voertuigje, hetwelk door de Engelschen een „spin” wordt genoemd.

Het werd echter door twee paarden getrokken, vroeger zeker krachtige en schoone dieren, maar die er thans ondervoed en haveloos uitzagen.

De koetsier, die op den bok zat, was zeker minstens zeventig jaar, krom en spierwit, ongetwijfeld een van die bedienden, die een halve eeuw bij het zelfde gezin in dienst geweest en vergrijsd zijn.

Hij nam eerbiedig zijn hoofddeksel af, toen hij zijn meester met de drie vreemdelingen naar het rijtuigje zag komen en daarop klommen allen in het wagentje.

„Nu wil ik u nog waarschuwen, graaf,” begon de baron Horváth de Palocza, „dat onze rit misschien onderbroken kan worden! Toen mijn trouwe bediende Marek en ik hierheen onderweg waren, om u af te halen, hebben wij reeds herhaaldelijk in de verte geweervuur gehoord!”

Maar de kooper van het landgoed haalde de schouders op en sprak:

„Wij zijn nu eenmaal onderweg, baron, en wij zijn er niet de mannen naar om een onderneming, eenmaal begonnen, weder prijs te geven, zelfs al betreft het maar den aankoop van een landgoed in Hongarije!”

„Als gij er zoo over denkt, graaf,” hernam Palocza met een matten glimlach, „dan heb ik natuurlijk niets tegen te werpen!”

„Ligt het landgoed hier ver van daan?”

„Vroeger kon ik het met mijn auto gemakkelijk in twintig minuten rijden, maar ik heb geen auto meer, die is mij afgenomen en de paarden, de arme dieren, doen er bijna een uur over! Het landgoed ligt niet ver van de Boganis, een van de belangrijkste rivieren in dit gedeelte van ons land. Misschien zult gij den prijs nog rijkelijk hoog vinden, graaf, maar als gij het goed gezien hebt, zult gij met mij instemmen, als ik zeg, dat het met tien millioen kronen niet te duur betaald is!”

„Ik ben overtuigd, dat gij niet overvragen zult, baron,” zeide de ander eenvoudig.

Het rijtuigje was de stad nu uitgereden en volgde een tamelijk goeden weg, goed voor Hongarije wel te verstaan, want hij was niet te vergelijken met de prachtige wegen in Engeland.

De paarden liepen in een matigen draf voort, en hadden blijkbaar moeite, het lichte rijtuig met de vijf mannen er in voort te trekken.

De Boganis kwam spoedig in het gezicht.

Men passeerde tal van villa’s, die echter voor het meerendeel door de bewoners verlaten waren, voortgejaagd door de vrees voor de Rooden.

Het land lag daar zwijgend en somber, en toch was pas zooeven de zon ondergegaan, en kon men nog op verren afstand de dingen onderscheiden.

De weg liep nu dwars door de Poeszta, de steppen van Hongarije, en heinde en verre zag men niets dan het hoog opschietende gras, hier en daar afgewisseld met kleine boschjes.

Hoog in de lucht cirkelde een groote vlucht zwarte vogels, en hun aanwezigheid op deze plek voorspelde niet veel goeds.

Zij hadden zich bij groote troepen begeven naar de plaats, waar duizenden menschen elkander naar het leven stonden, bezield door een fellen haat, feller nog, dan die hun bezielde, toen zij tegen onderdanen van een ander land streden.

Maar nu werd het landschap heuvelachtiger, het gebergte in het Zuid-Oosten liet zich reeds raden.

Langzaam begon de duisternis te vallen. [5]

Bijna een uur hadden de reizigers gereden en nog waren zij niemand tegen gekomen.

Slechts tweemaal hadden zij een boer gezien, die in alle kalmte des gemoeds zijn akker bewerkte, alsof er geen burgeroorlog bestond, en alles pais en vrêe was.

De weg begon nu een weinig op te klimmen, en men kon een groot gedeelte van de rivier overzien, die hier bijna een halven kilometer breed was, gezwollen als zij was door de hevige regens van de laatste dagen.

Toen strekte baron Palocza de hand uit en zeide op gedempten toon:

„Daar, bij dat boschje begint mijn landgoed.”

[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

De aanval op het landgoed.

De plantengroei was reeds eenigen tijd weelderiger geworden, en de Poeszta lag reeds ver achter de reizigers.

Zij reden voorbij wijnbergen, langs malsche weiden en voorbij uitgestrekte akkers, waar het graan in vollen bloei stond.

Graaf Grasham liet zijn blikken over het landschap waren, en hij zag al spoedig, dat de gevraagde prijs zeker niet te hoog was als men hem omrekende in Engelsche ponden.

De akkers waren goed onderhouden, de wijnbergen leverden zeker een voortreffelijken wijn op, en het landschap was blijkbaar zeer uitgestrekt. En als het woonhuis nu ook goed was, dan zou hij zeker niet aarzelen den gevraagden prijs te betalen, al lag het goed dan ook in een gebied, waar het wonen alles behalve een genoegen kon worden genoemd.

Maar wie was nu wel de zonderling, die er op stond, op dit tijdstip, onder deze onzekere omstandigheden een landgoed in Hongarije te koopen?

Die zonderling was.… John Raffles.

De vreemdeling, die hier met zijn beide metgezellen gekomen was, om er iets te doen, waarvoor de meeste zijner landgenooten hem zeker tot een krankzinnige zouden bestempelen, was de groote vijand van Scotland-Yard, het Londensche Hoofdbureau van politie, de man op wiens aanhouding nog altijd een premie van niet minder dan duizend pond sterling was gesteld, en die nog altijd verdiend moest worden.

Ja, de befaamde Gentleman-Inbreker, die nu den naam van graaf Grasham had aangenomen, had er zijn zinnen opgezet ook in Hongarije een plaats te bezitten, waarheen hij in geval van nood de wijk zou kunnen nemen, of die hem tot een soort basis zou kunnen strekken, wanneer hij eens naar Hongarije zou reizen, om daar een zijner stoutmoedige ondernemingen op touw te zetten, ondernemingen, welke strijdig waren met de geldende wetten, maar die voor Raffles de reden van zijn bestaan vormden.

De twee mannen, die nu in zijn gezelschap reisden, waren Charly Brand, die te Londen de taak van secretaris van Lord William Aberdeen vervulde, onder welken naam John Raffles in een fraai huis in de Regent-Street woonde, en Henderson, zijn chauffeur, wiens ongelooflijke lichaamskracht reeds menigmaal een avontuur tot een gelukkige oplossing had gebracht, dat in het nadeel van den Grooten Onbekende, zijn meester, dreigde af te loopen.

Raffles had in een der groote bladen de advertentie gelezen, waarin baron Horváth de Palocza zijn landgoed te koop aanbood, en daar de prijs hem [6]niet overdreven voorkwam, had hij dadelijk geseind, dat hij het landgoed kocht, onder beding van voorafgaande bezichtiging.

Reeds een dag later had hij zich met zijn beide metgezellen op reis begeven, maar de tocht was moeizaam, want door verschillende oorzaken, als staking in Duitschland, versleten materiaal, slechte steenkolen en anderszins, hadden de drie mannen bijna zes dagen gedaan over een reis, welke onder normale omstandigheden niet langer zou geduurd hebben dan ten hoogste anderhalve dag.

Zeker, Raffles had een dier voertuigen kunnen gebruiken, welke hij bezat, zooals zijn wonderbaarlijke electrische vliegmachine, welke een ongehoorde snelheid kon ontwikkelen, nog door geen enkel toestel bereikt, dat met benzine werd voortbewogen, en men zou haar hier trouwens niet dan met gevaar kunnen gebruiken, en het reizen met een auto door Duitschland en Oostenrijk, om van Hongarije in het geheel niet te spreken, ging met de grootste gevaren gepaard.

Maar nu had men dan toch de plek van bestemming bereikt, en als gevolg van zijn eigen telegram had baron Palocza den kooper van zijn landgoed van het station Temesvár afgehaald.

De oude koetsier had het rijtuig van den straatweg op een goeden grintweg gebracht, die eveneens met een flauwe stijging opwaarts liep, en aan het einde daarvan ontwaardden de reizigers de tinnen van een fraai kasteel, die hoog oprezen boven het omringend geboomte.

Nog tien minuten en toen zwenkte het rijtuig een breeden oprijweg in, en stond even later stil voor het terras van een heerenhuis, een kasteel, dat volgens Charly Brand uit het begin van de achttiende eeuw moest dateeren.

Palocza was het eerst van den wagen gesprongen en zeide, met een droeven glimlach om de lippen:

„Nog geen twee jaaren geleden zouden twintig bedienden op het terras hebben gestaan, om u te verwelkomen, graaf, thans is Marek de eenige, die mij trouw is gebleven. Alle anderen zijn of gedood, of zij hebben zich aangesloten bij de Roode troepen of zij hebben de vlucht genomen. Wij beiden zijn de eenigen, die hier zijn achtergebleven. Ik ben verplicht, volkomen eerlijk tegenover u te zijn, ik vrees, dat uw bezit in den eersten tijd nog wel zeer onzeker en onveilig zal zijn!”

„Ik zal het zoo goed mogelijk trachten te verdedigen, baron, en ik denk toch niet, dat de menschen zich zullen vergrijpen aan het eigendom van een vreemdeling, een Engelschman!”

„Ik hoop het, maar ik zou het niet durven verzekeren, graaf!” hernam Palocza.

Marek was intusschen niet zonder moeite van zijn hoogen bok geklommen, en geleidde nu de paarden aan den toom naar den stal, die even door het dichte gebladerte van den grooten tuin heenschemerde, die wel een park mocht worden genoemd.

Het was volkomen duister tusschen de eeuwenoude boomen, maar in de gang van het kasteel brandde een helder licht, dat door een ovaal venster boven de deur naar buiten scheen.

Palocza opende deze deur met een zwaren sleutel, en liet de drie mannen voorgaan.

Maar Henderson vroeg bedaard:

„Neem mij niet kwalijk, baron, ik behoor hier niet. Gij wilt mij zeker wel toestaan, vriend Marek op te zoeken. Ik ben een jaar in Duitsche krijgsgevangenschap geweest en ik brabbel een weinig Duitsch. Wij zullen elkander dus heel goed kunnen verstaan.”

Palocza keek Raffles vragend aan, maar deze zeide:

„Deze man is meer voor mij dan een gewone bediende, baron. Maar ik heb hem altijd zijn zin gegeven, als hij, zelfs midden in de woestijn, zijn eigen weg verkoos te gaan!”

„Nu, als het zoo is, gij vindt mijn trouwen bediende in het achterhuis, vriend!” zoo wendde hij zich tot den reus. „De deur staat meestal open en anders behoeft gij slechts aan te kloppen.”

„In orde, baron!” zeide Henderson.

En daarop verdween hij in de duisternis.

De drie mannen gingen binnen, maar op het oogenblik, dat de baron de deur weder zou sluiten, klonk heel in de verte een dof gerommel, waarvan de aard niet te miskennen viel, het was kanongebulder.

Een oogenblik bleven de drie mannen zwijgend luisteren, en toen deed Palocza zuchtend de deur dicht.

„Mijn arm, arm land!” zeide hij op zwaarmoedigen toon. „Verscheurd, uiteengerukt, bloedend, arm en hongerig! Mijn God, wanneer zal er aan dit alles een einde komen!”

„Dan pas, baron, wanneer de menschen zich hun [7]menschenaard wat beter zullen herinneren!” zeide Raffles op bitteren toon. „Slechts dan, wanneer iedereen weder gaat inzien, welk onvergelijkelijk genot de arbeid oplevert voor ieder gezond man. Slechts dan, wanneer broeders van één stam niet langer elkanders bloed bij stroomen vergieten!”

Met gebogen hoofd, en schijnbaar zonder te luisteren, ging Palocza door de ruime vestibule, opende een deur, draaide een schakelaar van het electrische licht om, en zeide:

„Gij zijt natuurlijk hedenavond en van nacht mijn gasten; mijne heeren! Trouwens het zou immers niet anders gaan. Mijn naaste buren wonen hier een paar kilometers van daan! Gij zult het dus wel met een schamel maal en onder dit dak voor lief moeten nemen! Morgen hoop ik u het landgoed geheel te laten zien.”

Raffles boog zwijgend.

Zijn blikken rustten op een prachtig schilderij in een zware, vergulde lijst, dat boven den monumentalen schoorsteenmantel hing, en dat een vrouw in den vollen bloei van haar schoonheid voorstelde.

„Mijn lieve vrouw!” zeide Palocza als in antwoord op een onuitgesproken vraag.

Raffles bekeek eenigen tijd met stille aandacht het schoon gelaat, en zeide toen zacht:

„Ik begrijp nu, baron, waarom gij dit land wilt verlaten. Ik zou in uw plaats waarschijnlijk hetzelfde gedaan hebben. Niets rest u hier meer dan de herinnering aan vervlogen geluk. Gij hebt den besten weg gekozen …”

De drie mannen gingen verder en traden nu een tweede vertrek binnen, waar een groote tafel, gebeeldhouwde stoelen en een prachtig, zwaar buffet stond.

De ramen van deze eetzaal zagen uit op het park, dat zich achter het heerenhuis uitstrekte.

Thans waren zij door gordijnen gesloten, die in zware plooien nederhingen.

Juist trad Marek binnen, om de tafel te dekken, maar hij was vergezeld van Henderson, die hem volstrekt wilde helpen.

En alsof hij het reeds jaren gedaan had, begon de brave kerel de tafel in orde te maken.

De drie heeren begaven zich naar een kleine rookkamer, die zich naast de eetzaal bevond, en spoedig waren zij in een gesprek verdiept, waarvan de beklagenswaardige toestand van het ongelukkige Hongarije het voornaamste onderwerp vormde.

Een half uur later klonk de gong in de gang, ten teeken dat er was opgediend.

Palocza glimlachte even, toen hij zeide:

„De goede Marek doet nog, alsof alles bij het oude is gebleven! Hij zou ook op de gong slaan, al kon hij mij niets anders meer voor zetten dan een paar knolrapen uit den moestuin.”

„Ik ben van oordeel, dat dit voor hem pleit, baron!” zeide Charly. „Zulke bedienden vindt men niet veel meer.”

De drie mannen waren opgestaan en begaven zich naar de eetzaal, waar een eenvoudige maaltijd was aangericht.

„Wat gij hier thans zult eten, mijne heeren, dat groeide of leefde alles op mijn landgoed en ik heb het wild zelf moeten schieten! Er is geen middel meer, om iets uit de naaste stad te laten komen. Men is hier thans geheel op zich zelf aangewezen, en als gij het goed koopt, dan zou ik u ten sterkste aanraden, goede krachten uit uw eigen land hier te laten komen, om het land te bewerken, en al het andere noodige te doen.”

„Dat was ik voornemens, baron!” zeide Raffles. „Bij ons zijn gelukkig de Boljewistische beginselen nog niet doorgedrongen!”

„Mag ik u vragen of ge voornemens zijt het landgoed aanstonds te betrekken, verondersteld natuurlijk dat gij het koopt?” ging Palocza voort.

„Dat zal geheel en al van de omstandigheden afhangen, waarde baron! Wanneer de Witte Regeering den toestand hier kan beheerschen, dan denk ik wel hier eenigen tijd te blijven, maar gij zult mij toegeven, dat een oponthoud hier minder aangenaam zou zijn, wanneer wij hier tusschen twee vuren zouden geraken.”

„Dat kan ik mij voorstellen,” zeide baron Palocza zuchtend. „Indien ik dit alles had kunnen voorzien, zou ik u natuurlijk eerst nog gewaarschuwd hebben zoodat ge uw bezoek tot een latere gelegenheid had kunnen uitstellen. Maar nu gij toch hier zijt, hoop ik slechts, dat gij veilig weder ons land zult kunnen verlaten. Hebt gij niet zeer veel moeilijkheden met uw passen ondervonden?”

„Dat was niet zoo erg, baron. Het is ten huidige dage moeilijker zijn eigen land weder binnen te komen dan er uit te vertrekken.”

Henderson en Marek hadden intusschen den maaltijd opgediend, die bestond uit een koolsoep, een [8]reebout, groenten, gebak en eieren en een meelspijs, eigen aan het land, benevens eenige heerlijke vruchten, allen afkomstig van het landgoed van den baron.

Het diner naderde zijn einde, en Marek had juist een kistje fijne sigaren binnengebracht, toen weder het kanongebulder klonk, maar thans veel duidelijker.

Palocza hield midden in een zin op en zeide op gedempten toon:

„Het kanonvuur komt naderbij. Mijn hemel, de Witten zullen toch niet retireeren?”

„Moeten zij dan dezen kant uitkomen?”

„Ja, graaf! Als zij terug moeten dan is het in de richting van Temesvár.”

Geruimen tijd bleven de drie mannen luisteren naar het gebulder van het kanon.

En eensklaps hield dit op, zoo onverhoeds dat het was, alsof een geheimzinnige macht plotseling alle kanonniers had nedergeslagen.

Het bleef nu stil, en na eenigen tijd stonden de drie mannen van tafel op en begaven zich naar de biljartkamer, die op een hooger gelegen verdieping was gelegen.

Er werd onder het spelen weinig gesproken en Raffles en Charly begrepen dat zij te doen hadden met een man, wiens geheele geest nog slechts werd beheerscht door het verlangen de streek te verlaten, waar hij zoo gelukkig en zoo nameloos rampzalig was geweest.

Het was omstreeks tien uur, toen er plotseling op de deur werd geklopt en Marek met een bleek gelaat binnentrad.

„Wat is er?” vroeg de baron hem, terwijl hij zich van de Hongaarsche taal bediende.

„Ik geloof dat daarginds de Witte troepen aankomen, heer,” antwoordde de grijze bediende.

„De chauffeur van den graaf zegt, dat hij het gedaver van de stukken duidelijk kan onderscheiden, hij is in den oorlog geweest, hij heeft er verstand van.”

Dadelijk snelde de baron naar het venster, en wierp het open.

Raffles en Charly voegden zich bij hem, en allen luisterden met aandacht.

Henderson had goed gehoord, heel in de verte klonk het onbestemde gerommel van een aantal kanonnen en kruitwagens, die over den straatweg naderden, welke in het licht van de maan, die zoo juist was opgekomen, flauwtjes zichtbaar was op een afstand van tien minuten gaans.

Het gelaat van baron Palocza was bleek, en zijn trekken waren verwrongen van wraakzucht en woede.

„Ja, zij retireeren!” riep hij op gesmoorden toon.

„En gij, blijft gij hier?” vroeg Raffles. „Zoudt gij niet aanstonds vluchten?”

„Wat, voor de Roode bandieten?” riep de baron op woesten toon. „Nooit! Liever liet ik mij dooden. Zij hebben mij het liefste ontroofd, wat ik op de wereld bezat, en zij hebben mijn vrouw en mijn kinderen vermoord, en ik weet niet wat mij nog aan het leven bindt. Neen, ik blijf hier, al staken zij mijn kasteel boven mijn hoofd in brand. Maar als gij wilt vertrekken, graaf, ik denk er natuurlijk niet aan om u terug te houden.”

„Wij blijven!” zeide Raffles kalm. „Rooden of Witten, ik zou wel eens willen zien, dat zij zich durfden vergrijpen aan Engelschen. En trouwens, gij kent mij niet, als gij denkt, dat ik u aan uw lot zou overlaten.”

„Ik dank u, graaf, dat is edel van u! Ik hoop dat zij zullen standhouden, en al wilden zij mijn landgoed als steunpunt gebruiken, ik zou hen laten begaan! En als het moest zou ik daarvoor gaarne als een arm man de wereld ingaan.”

Het geraas van de naderende troepen werd intusschen hoe langer hoe duidelijker hoorbaar, en nu klonk het doffe gedreun van de voetstappen van een zeer groot aantal soldaten, die over den straatweg trokken.

Even later kwamen de eerste colonnes aan, en zij schenen volstrekt niet van zins te zijn, zich bij het kasteel op te houden.

Integendeel, de drie mannen zagen hen haastig, als in een vlucht en in ordelooze gelederen voorbijtrekken, naar het Noordwesten.

Op dezen afstand en met de heerschende duisternis was het onmogelijk, hun regimentsnummer of een ander onderscheidingsteeken te herkennen, maar dat het Witte troepen waren, dat was zeker, want men kon duidelijk de volledige uniformen zien, welke alle soldaten droegen, in afwijking van de Roode troepen, waarvan de manschappen een zonderling allegaartje droegen, militaire pantalons met daarboven een colbert, of een jockeypet, sandalen en een uniformjas.

Ongeveer een half uur lang bleven er onophoudelijk troepenafdeelingen voorbijtrekken, en het was maar [9]al te duidelijk, dat de Witten een ernstige nederlaag hadden geleden en in volle vlucht waren.

Weer een kwartier later was er niets meer te hooren, dan het verre gerucht van de duizenden voetstappen en het wegstervend gedreun van de stukken.

Nog een oogenblik bleven de drie mannen aan het venster staan, maar niemand hunner had lust om de partij biljard te gaan hervatten.

Iedereen begreep dat de gebeurtenissen een ernstige wending hadden genomen en baron Palocza gaf uiting aan hetgeen allen bezielden, toen hij zeide:

„De Rooden zullen hen wel achtervolgen, maar wie kan zeggen, of zij op hun beurt mijn bezitting zullen voorbijgaan.”

Reeds een half uur later zou het antwoord op die vraag komen.…

Weder naderden er voetstappen langs den straatweg, en uit dezelfde richting, maar thans waren het geen soldaten van het witte leger, het moesten Rooden zijn.

Een afdeeling marcheerde door, maar een tweede groep scheidde zich af, en kwam den grintweg op.

Er waren er zeker onder den troep, die volkomen op de hoogte waren van de plaatselijke gesteldheid, misschien wel voormalige bedienden van den baron, want zij weifelden geen oogenblik, maar verspreidden zich dadelijk in het park en stelden zich verdekt op achter de boomen, de heggen en de terreinplooien.

En zonder eenige inleiding begonnen zij een geregeld vuur te openen op het landhuis.

Snel traden de drie mannen terug van het venster waarvoor zij weder hadden plaats genomen, ditmaal in de eetzaal, die gelijkvloers was gelegen, waar de kogels reeds door het vertrek vlogen.

„Ik kan hun gedrag niet heldhaftig noemen,” zeide Raffles minachtend. „Zij kunnen toch niet anders denken, of gij zijt heel alleen, en slechts vergezeld van uw ouden bediende.”

„Dat kunnen zij heel goed weten graaf, want zij hebben mijn lieve vrouw en kinderen gedood,” zeide de baron op woesten toon. „Zij kunnen ook weten, dat al mijn bedienden gevlucht, vermoord of in de gelederen getreden zijn.”

En hij snelde naar een wapenrek dat aan den wand hing en rukte er een jachtgeweer af.

Hij ijlde weder naar het raam terug en wilde het opentrekken, toen Raffles hem in den weg trad en op ernstigen toon vroeg:

„Wat wilt gij doen, baron?”

„Vraagt gij dat nog? Denkt gij, dat ik mij zonder verweer zal laten dooden?”

„Maar gij kunt immers niets uitrichten tegen die overmacht,” zeide Raffles overredend. „Er zijn minstens veertig of vijftig mannen in uw park, nog voor het raam geopend is, voor gij een schot zult hebben kunnen lossen, zullen zij u hebben neergelegd, want gij zult scherp afteekenen tegen de hel verlichte kamer.”

„Maar wat wilt gij dan? Moet ik mijn huis laten vernielen door die wilde beesten, en gij zelf, zult gij u niet verweren?”

„Pardon, baron, met ons is het iets anders,” antwoordde Raffles, „en gij vergeet dat die lieden daarginds in het geheel niet weten, dat wij hier zijn. Als gij het toestaat, zal ik hen daar even opmerkzaam op maken, en op die wijze zal uw huis zeker gespaard blijven voor hun woede.”

„Daar ben ik zoo zeker niet van, graaf. Zij zouden u ook wel eens kunnen dooden.”

„Dat zullen zij niet doen!” antwoordde Raffles kalm. „Het is in Boedapest en Temesvár bekend, dat wij hier heen zijn gegaan, en die lieden zouden zich aan een groote straf blootstellen wanneer zij ons een haar op het hoofd zouden krenken.

En wij moeten het in ieder geval probeeren, want als zij eenmaal het huis bestormen, dan zouden zij wel eens niet meer voor reden vatbaar kunnen zijn, verblind door hun bloeddorst en woede.”

En zonder verder de toestemming van den baron af te wachten, trad Raffles in de vestibule, opende de voordeur, haalde zijn zakdoek te voorschijn en begon er mee te zwaaien.

Het electrisch licht in de vestibule verlichtte zijn gestalte duidelijk en dadelijk hield het vuren op.

De Rooden schenen met elkander te beraadslagen, en een oogenblikje later doemde er een groepje mannen op uit de duisternis van het park, die langs het breede tuinpad kwamen aanloopen en met het geweer in den aanslag de vestibule binnendrongen.

Zij bleven echter verbaasd stilstaan bij het zien van den vreemdeling, die met een witten doek gezwaaid had, en een hunner vroeg in slecht Duitsch:

„Wie zijt gij? Wat doet gij hier in het huis van den vervloekten kapitalist?”

„Ik kom het koopen!” antwoordde Raffles lakoniek. [10]

[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

Nog eens van den os op den ezel.

Deze mededeeling verwekte niet weinig opschudding onder de vijftig soldaten van het Roode leger, toen de man die Duitsch sprak het antwoord van Raffles vertaald had.

„Zoo, zoo! Dus nog zulk een geldwolf!” hernam de aanvoerder op grimmigen toon. „Komt gij het landgoed van dien bloedzuiger koopen?”

„Ja, en ik betaal contant,” antwoordde Raffles langs zijn neus.

De aanvoerder zette groote oogen op en deed een stap achteruit, waarop hij uitriep:

„Gij betaalt het contant! Gij hebt dus dat geld bij u?”

Raffles zag aan de uitdrukking in de oogen van den man, dat hij een onvoorzichtigheid begaan had, maar het was nu te laat om die ongedaan te maken.

Alleen stoutmoedigheid zou hem nog kunnen redden.

Trouwens als hij ontkende, zouden de revolutionairen hem aan den lijve onderzoeken, om zich te overtuigen, of hij de waarheid had gesproken.

En daarom klonk kalm zijn antwoord:

„Ja, ik heb het geld bij mij.”

„Hoeveel?”

„Tien millioen kronen.”

De omstandigheden waren er wel niet naar, maar het scheelde nu toch weinig of de aanvoerder had een luchtsprong gemaakt, zoozeer verraste hem de hoogte van dit bedrag.

Waarschijnlijk gaf hij er zich geen rekenschap van, dat dit bedrag in Engelsch geld omgerekend, niet hooger was dan twaalfduizend pond.

Hij wisselde op zachten toon een paar woorden in de Hongaarsche taal met zijn metgezel en daarop ging er een terug, om een oogenblik later met tien van zijn makkers terug te keeren.

De aanvoerder, die geen oog van Raffles had afgehouden, trad nu weder op hem toe en vroeg:

„Zijt gij hier alleen?”

„Met twee metgezellen!”

„Van welken landaard zijt gij?”

„Engelschen!”

Dat antwoord scheen den aanvoerder minder te bevallen, tenminste hij bromde iets in zich zelf dat voor Raffles niet verstaanbaar was.

Toen hernam hij op dreigenden toon:

„Waar is die schurk van een Palocza?”

„Ik ken wel een baron van dien naam, maar het verbaast mij uit uw mond te hooren dat hij een schurk is,” hernam Raffles op kouden toon.

„Wat weet gij daarvan?” vroeg de aanvoerder ruw. „Gij kent hem niet zooals wij hem kennen.”

„Wat hebt gij dan tegen hem in te brengen? Waarop steunt uw beschuldiging dat hij een schurk is?”

„Waarop? Op alles! Hij is schatrijk!”

„Ei zoo, en dat is volgens u een afdoend motief om iemand voor een schurk uit te maken,” zeide Raffles ironisch.

„Hij is een dief, want hij bezit land!”

„Heeft hij dat dan gestolen?”

„Niet in den eigenlijken zin, maar hij heeft het ten geschenken gekregen van zijn vader, die het weder van zijn vader had, en dat is juist hetzelfde als diefstal! Heeft hij het soms met zijn zweet verworven? Heeft hij er voor moeten strijden? Heeft hij niet honderd, ja duizendmaal te veel! Hadden er niet honderd gezinnen gelukkig en tevreden op zijn landgoed kunnen leven?”

„Dat alles mag zoo zijn, en voor een gedeelte kan ik uw gedachtengang zelfs volgen,” hernam Raffles bedaard. „Maar dit alles is niet de schuld van baron [11]Palocza, het is krankzinnigheid, om hem voor dien toestand persoonlijk verantwoordelijk te stellen, en het is een laffe, beestachtige wreedheid, om zijn vrouw en zijn twee onschuldige kinderen daarom te vermoorden.”

De aanvoerder klemde de tanden op elkander, en zeide toen op norschen toon:

Dat heeft onze afdeeling niet gedaan, dat is het werk van de zwervende benden geweest. Wij kunnen niet overal tegelijk zijn, en als gij wist wat het boerenvolk hier eeuwenlang te lijden heeft gehad, dan zoudt gij zulk een daad, zoo niet verontschuldigen, dan toch in ieder geval begrijpelijk achten. De menschen zijn hier verbitterd, en tot helsche woede geprikkeld. Gij zijt een vreemdeling en weet van onze zaken niets af. Gij leest in uw bladen van de Witte Terreur, maar gij kunt u geen voorstelling vormen van wat het werkelijk beteekend heeft, en nog altijd beteekent in streken, waar zij ons nog onder den duim hebben. Duizenden socialisten en ook gewone burgers, die slechts verdacht werden met de denkbeelden van Bela Kun te sympathiseeren, of die door wraakzuchtige verklikkers waren verraden, hebben hun leven aan den galg moeten eindigen. En nog eens dat aantal is versmacht van honger, dorst en mishandeling in de vunzigste kerkerholen, holen, waarvan ge u in uw beschaafd Engeland geen voorstelling kunt maken.”

De man had bevend en wit van drift gesproken, terwijl hij de kolf van zijn geweer met een onbewust gebaar streelde.

Raffles had ernstig toegeluisterd en hernam nu:

„Ik veroordeel u niet, ik betreur het alleen, dat het niet anders kon zijn. Gij weet niet wat gij doet, gij brengt uw land aan den rand van den afgrond, gij zoowel als de aanhangers der reactie.”

Maar de aanvoerder der Roode afdeeling haalde de schouders op en hernam:

„Als wij maar eens eerst aan het bewind komen, dan zal alles goed gaan.”

Er lag een gloed van fanatisme in zijn oogen, toen hij dit uitriep.

Maar Raffles schudde het hoofd en zeide:

„Daar is geen sprake van! Gij zoudt juist hetzelfde doen, hetgeen gij nu aan de Witten verwijt, en opnieuw zal het bloed in stroomen vloeien, dan zullen de Witten u weder ten onder brengen, het schouwspel zal zich opnieuw weder herhalen, en over een paar jaar zal de laatste Witte den laatsten Rooden hebben doodgeslagen, of omgekeerd misschien. Maar nu genoeg over deze dingen gepraat. Zeg mij nu wat gij wilt!”

„Wij willen Palocza!” antwoordde de ander ruw.

„Met welk doel?”

„Wij willen hem dooden! Hij verdient het dubbel en dwars!”

„Gij zijt gek!” hernam Raffles op kouden toon. „Gij zult hem geen haar op zijn hoofd krenken, zoolang ik hier ben, en gij zult het niet wagen, een Engelsch onderdaan een stroobreed in den weg te leggen.”

Raffles wist dat hij boud sprak, want de Rooden zouden zich zeer waarschijnlijk al bitter weinig gelegen laten liggen aan een schriftelijk protest, of zelfs een dreigende nota van de Engelsche regeering.

Zij wisten maar al te goed, dat Londen op dit oogenblik toch weinig of niets tegen hen kon uitrichten.

Maar de vastberadenheid, waarmede Raffles sprak, scheen toch indruk te hebben gemaakt op den aanvoerder.

„Waarom springt gij voor dien man in de bres? Waarschijnlijk omdat hij een soort collega van u is?” vroeg hij op schamperen toon.

„Neen, eenvoudig omdat ik het niet zou dulden, dat men in het bijzijn van drie Engelschen een weerloos man laaghartig vermoord.”

„Gij durft veel zeggen, vreemdeling!

„Dat is zoo mijn gewoonte!” hernam Raffles kortaf. „Gij doet mij dus hier de plechtige toezegging, dat gij dien ongelukkigen man niet zult deren, wiens vrouw en kinderen door uw gelijken zijn vermoord! Anders sta ik niet voor de gevolgen in.”

„Maar wij moeten zijn huis hebben!” riep de aanvoerder. „Zijn huis, de akkers en alles wat er bij behoort.”

„Pardon, dat alles is niet meer van hem, hij heeft het aan mij verkocht.”

„Daarmede houd ik mij niet op,” ging de aanvoerder schouderophalend voort. „Gij kunt het toch niet betalen!”

„Ik zeg u toch, dat ik de koopsom bij mij heb.”

„Nu nog, maar over een kwartier zult gij haar niet meer hebben!

„Wat! Zoudt gij mij haar durven ontrooven?” riep Raffles uit. [12]

„O, daar is niet veel moed toe noodig,” antwoordde de ander koeltjes. „Wij zijn met vijfenveertig man, en gij zult wel zoo verstandig zijn, geen tegenstand te bieden! Bedenk wel, dat wij in een wanhopige positie zijn, dat wij ditmaal moeten winnen, en dat wij zeer veel geld noodig hebben. Tien millioen kronen is voor ons een reusachtig bedrag en gij kunt zelf de gevolgtrekking wel maken.”

„En als ik weiger u dat bedrag af te staan?”

„Dan zou ik genoodzaakt zijn geweld te gebruiken!” antwoordde de aanvoerder der Roode troepen. „Gij zult zelf wel inzien, dat wij in onze positie weinig consideratie kunnen gebruiken. Het is voor ons, er op of er onder. Ik zou u ernstig in overweging willen geven, geen verzet te plegen, want wij zijn tot alles in staat, tot alles, verstaat gij?”

Een blik in de oogen van den man was voldoende, om hem te overtuigen, dat hij geen looze bedreigingen uitte.

Hij meende blijkbaar wat hij zeide, en hij begreep dat zij groot gevaar liepen, wanneer zij inderdaad zouden trachten tegenstand te bieden, nu de Rooden eenmaal wisten, welk een kostbare buit hun zoo eensklaps in den schoot was geworpen.

Charly, die het laatste gedeelte van het gesprek had gehoord, begreep opeens aanstonds, dat er niet aan te denken viel, aan deze overmacht van goed gewapende, tot alles in staat zijnde mannen het hoofd te bieden.

Weigerden zij het geld af te staan, dan zou ook stellig de ongelukkige Palocza het leven moeten laten.

Het was wel een hard gelag om zooveel geld te moeten afstaan, maar het lag er nu eenmaal toe, en men zou het beste doen, de zaak van den wijsgeerigen kant te beschouwen.

En het was maar goed, dat Henderson zich in het achterhuis bevond, want de reus zou waarschijnlijk dadelijk alles bedorven hebben, door zich op de vijf Revolutionairen te werpen.

„Wanneer ik u het geld geef, zult gij mij dan een vrijgeleide geven voor mij, mijn metgezellen, en baron Palocza,” zoo wendde Raffles zich opnieuw tot den aanvoerder.

Deze dacht even na, en antwoordde toen:

„Gij zoudt natuurlijk toch van hier moeten vertrekken, en ik wil wel een vrijgeleide geven, maar ik waarschuw u, dat mijn macht hier niet verder strekt, dan een tiental mijlen in het rond. Ik kan u dus volstrekt niet waarborgen, dat een andere afdeeling der Roode Garde u ongehinderd zal laten door gaan!”

Dat was zeker een minder aangenaam vooruitzicht, maar er viel niets aan te doen, en hier zou men in geen geval kunnen blijven, want het was duidelijk dat deze vijftig man nog slechts de voorhoede van een veel grooter leger was, hetzelfde leger, dat de Witten dien dag een zware nederlaag had toegebracht, en dus thans in een gevaarlijken overwinningsroes zou zijn.

Zonder verder nog een woord te spreken, stak Raffles zijn hand in zijn binnenzak, haalde er zijn portefeuille uit, en wilde er de Engelsche banknoten uithalen.

Maar de aanvoerder trok hem de portefeuille eenvoudig uit de hand, en zeide spottend:

„Geef u niet zooveel moeite. Het is volstrekt niet noodig, dat er nog iets in achterblijft.”

„Gelooft gij?” kwam Raffles, zonder zijn kalmte een oogenblik te verliezen, „misschien zoudt gij toch wel zoo goed willen zijn, mij althans mijn passen en andere onmisbare papieren terug te geven?”

De aanvoerder bromde iets, opende de portefeuille, zocht er even in, en overhandigde Raffles toen eenige documenten, waarna hij de dikke portefeuille in zijn eigen zak liet glijden.

Met de woede in het hart had Charly dit gade geslagen, maar Raffles scheen er zich niet al te veel van aan te trekken, en voor de zooveelste maal bewonderde de jonge man de kalmte des gemoeds waarmede de Groote Onbekende alle gebeurlijkheden des levens aanvaardde.

Baron Palocza was al dien tijd in het vertrek achtergebleven, en zat daar met het hoofd in de handen en schijnbaar onbewust van alles wat er om hem heen gebeurde.

Maar nu werd de deur geopend en Raffles trad binnen met den aanvoerder der Roode Garde.

„Baron Palocza,” begon hij, „die man zal ons hier een vrijgeleide geven, tot zoover zijn macht grenst. Gij ziet nu wel, dat wij allicht beter hadden gedaan met het leger der Witten te retireeren.”

Palocza was opgestaan en kwam met gebalde vuisten en gebogen hoofd op den aanvoerder toe.

Hij scheen niet eens te hebben gehoord, wat Raffles zeide en schreeuwde: „Gij, gij hebt mijn vrouw en [13]mijn kinderen vermoord. Wat doet gij hier? Wilt gij mijn leven ook? Neem het dan maar! Ontroof mij ook dat nog, het heeft voor mij toch geen waarde meer. O, hoe gaarne zou ik u met deze handen wurgen, gij ondier!”

Met een paar passen was Raffles tusschen de twee mannen in en riep nu met een bezwerend gebaar:

„Beheersch u baron! Gij kunt toch niet allen voor de daad van een enkeling aansprakelijk stellen. Schik u in uw lot, gij zoudt ons hier allen laten uitmoorden!”

Palocza wreef zich met de handen over het voorhoofd, alsof hij een gedachte wilde verdrijven, die hem hinderde en hernam toen:

„Ik vraag u vergiffenis, graaf, dat ik u in dezen toestand heb gebracht. Er is nu zeker geen sprake meer van, dat gij mijn landgoed koopt?” voegde hij er op een toon van bitteren spot aan toe.

„Ik zou het niet meer kunnen koopen, baron, deze heeren zijn zoo goed geweest mij van al mijn contanten te ontlasten.”

„En dat neemt gij zoo kalm op?”

„Waartoe zou het dienen, als ik mij driftig maakte?” vroeg Raffles bedaard. „Het zou mij niets verder brengen nietwaar? Ik hoor daarginds in de verte al de stappen van een groot aantal andere soldaten, en ik heb menigmaal tegenover heete vuren gestaan, maar ik ben er ditmaal niet op voorbereid, om den strijd tegen een paar regimenten op mij te nemen. Beloof mij, op de spoedigste manier te vertrekken! Ga naar Temesvár, wacht daar betere oogenblikken af, wie weet hoe spoedig de kans weder keert.”

Raffles had dit laatste op fluisterenden toon gezegd, zoodat alleen de landeigenaar hem kon verstaan, terwijl de aanvoerder der Roode Garde zich aan een kleine schrijftafel had nedergezet, en daar met grove letters een formulier invulde.

Hij onderteekende het, stelde het Raffles ter hand en zeide:

„En nu zou ik u aanraden, zoo spoedig mogelijk uw hielen te laten zien, want anders zoudt gij wel eens tusschen twee vuren kunnen geraken en van den regen in den drup.”

„Of van den os op den ezel,” voegde Raffles er laconiek aan toe. [14]

[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

De vlucht.

Een kwartier later was het geheele huis in handen van de Roode troepen.

Raffles bleef met opzet zoo dicht mogelijk in de nabijheid van den grootgrondbezitter, daar hij vreesde, dat de ongelukkige in een vlaag van wanhoop een daad zou begaan, die hun allen noodlottig zou kunnen worden.

Maar het geleek wel, of de baron eensklaps versuft was geworden.

Nu hij inderdaad het landgoed ging verlaten, waar hij sedert zijn kindsheid had gewoond, leek het wel, of alles hem volkomen onverschillig was geworden.

Hij keek toe, hoe de trouwe Marek een paar valiezen pakte, zonder een woord te spreken.

Raffles zette den ouden bediende met een paar vriendelijke woorden tot spoed aan, want niemand kon zeggen, of de Rooden niet ter elfder ure van idee zouden veranderen en hen allen om het leven brengen, teneinde geen last te hebben van ongewenschte getuigen, als het later bekend mocht worden, dat drie Engelschen van tien millioen kronen waren bestolen.

Het wagentje was weder ingespannen, en de valiezen werden er in geladen.

Buiten in den nacht klonk opnieuw het doffe gerommel van het geschut.

Naar het scheen hadden de Witten thans nieuwe stellingen betrokken, en de strijd was weder met hernieuwde hevigheid ontbrand.

Onder deze omstandigheden viel er natuurlijk niet aan te denken, een poging te ondernemen, teneinde zich onder bescherming van de Witten te stellen.

Lang voor zij het front bereikt hadden, zouden zij opnieuw zijn aangehouden door afdeelingen der Rooden, en deze mochten hen onder geen omstandigheden „Niemandsland” laten oversteken, op gevaar af, dat de vreemdelingen aan de Witten hunne stellingen zouden verraden, hun getalsterkte, de wijze van bewapening en andere wetenswaardige zaken.

Raffles begreep dit zelf zeer goed en hij moest er zich in schikken, dat hij niet alleen niet naar Temesvár zou kunnen terugkeeren, tenminste niet, voordat de toestand zich volkomen gewijzigd had, maar dat hij nog verder naar het Zuiden zou moeten gaan, dat wil zeggen, nog dieper binnendringen in een streek waar het oproer opnieuw het hoofd had opgestoken.

Hij had vreeselijke dingen hooren verluiden omtrent de Witte Terreur, die geruimen tijd in Hongarije geheerscht had, maar in ieder geval zou hij, als Engelsch graaf, die met een secretaris en met een bediende reisde, niets te vreezen hebben van de Witten, terwijl hem integendeel van den kant der Rooden alle denkbaren gevaren aangrijnsden.

Hij had echter geen keuze, de omstandigheden waren ditmaal sterker en het zou krankzinnigheid zijn zich met geweld te willen verzetten tegen een legermacht van eenige duizenden goedgewapende mannen, waaronder bovendien talrijke elementen schuilden, die tot de uiterste woede geprikkeld waren en zeker geen seconde zouden aarzelen.

Wat Charly betreft, de jonge man kookte letterlijk van drift en hij kon zich volstrekt niet begrijpen, dat Raffles de zaak zoo kalm scheen op te vatten.

En toch hadden de Rooden hem zooeven niet alleen den koopprijs van het landgoed afgenomen, maar bovendien ook zijn reispenningen!

Zij hadden hun niets overgelaten dan de noodzakelijke papieren, passen en andere documenten [15]en het vrijgeleide, en dat strekte nog maar alleen zoover als de macht reikte van den man, die het met een onleesbaren naam onderteekend had.

Zeker, Charly had zelf wat geld in zijn zak, want hij was gewoon, alle kleine uitgaven te betalen, wanneer hij met Raffles op reis was, en deze de rol vervulde van Lord Aberdeen, of van een anderen graaf.

Maar die paar duizend kronen zouden hen zeker niet veel verder brengen met het oog op de waanzinnig hooge prijzen, welke men in dit land zelfs voor de eerste levensbehoeften zou moeten betalen.

De reizen met den spoorweg waren duur, maar zij waren in ieder geval nog te betalen, maar met duizend kronen zou men niet veel uitrichten, als men daar het logies voor drie mannen van wilde betalen in een behoorlijk hotel.

Hij vroeg zich dan ook in vreeze af, op welke wijze zij uit dit ongastvrije land zouden kunnen vertrekken, en hij zag de toekomst vrij duister tegemoet.

Raffles daarentegen stond daar nog altijd glimlachend toe te zien, hoe de valiezen in het rijtuigje werden geladen, terwijl hij tevens een wakend oogje hield op Palocza.

Eindelijk was alles voor het vertrek gereed, en de oude Marek had weder op den bok plaats genomen.

Zijn gelaat was droevig vertrokken, want ook hij ging de plek verlaten, waar hij zijn geheele leven had doorgebracht, van zijn vroegste kindsheid af, en wie zou kunnen zeggen wat het lot zou zijn van het prachtige landgoed.

Misschien zou het wel in vlammen opgaan, zooals zoo vele andere bezittingen van gegoeden in de omstreken.

Het was reeds ver over middernacht, toen het rijtuig zich eindelijk in beweging stelde, uitgeleide gedaan door de Roode Gardisten die spottend of dreigend, of lachend het rijtuigje nakeken, zooals het daar wegreed over den breeden grindweg.

Een half uur verder waren zij buiten het bereik van het gros van het Roode leger, maar in dien tijd hadden zij reeds driemaal hun vrijgeleide moeten toonen aan kleine patrouilles en het bleek reeds aanstonds, dat de Rooden een voortreffelijken bewakingsdienst hadden georganiseerd en dat het zeer moeilijk zou vallen, door de mazen van het net te ontsnappen.

De eenige hoop van de drie reizigers bestond hier in, dat de krijgskansen opnieuw zouden keeren, maar dan bleef toch altijd het gevaar bestaan, dat zij opnieuw tusschen twee vuren zouden geraken.

Echter bestond dan de mogelijkheid, dat de Witten zoo vlug zouden oprukken dat de drie Engelschen en de ongelukkige grondbezitter zich bij hen zouden kunnen voegen.

Maar voor het oogenblik was het nog lang zoo ver niet en Charly vroeg zich in angst en vreeze af, wat het einde van deze reis zou zijn, die onder zulke gelukkige omstandigheden begonnen was, maar zulk een onverwachten en hoogst onaangenamen keer had genomen.

„Waar gaat deze weg ergens heen?” vroeg Raffles toen zij een half uur gereden hadden, terwijl hij zich tot Palocza wendde, die naast hem zat.

„Naar Nagy Becskerek.”

„Is dat ver hier vandaan?”

„Ruim tachtig kilometer!”

„Drommels!” riep Raffles verschrikt uit. „Wij zullen met deze paarden niet ver komen!”

„Wij slaan aanstonds een anderen weg in, graaf,” hernam Palocza, „want het is ook niet mijn bedoeling, u naar de zooeven genoemde stad te brengen! Ik wilde liever naar Versecz gaan, welke stad op nog geen zestig kilometer van mijn landgoed is gelegen!”

„Is het een groote stad?”

„Ja!”

„In welke richting ligt zij?”

„In zuidelijke richting.”

„Intusschen is zestig kilometer nog veel te veel voor deze arme, ondervoede paarden, baron. Zij kunnen ons onmogelijk langer dan een paar uren trekken en vergeet ook niet, dat de dieren ons ook niet lang geleden van het station hebben gehaald!”

„Wij zouden ook onmogelijk in één stuk door naar Versecz kunnen rijden, graaf,” hernam Palocza. „Ja, als ik mijn auto’s nog maar had, ik ben menigmaal in drie kwartier van mijn landgoed naar de stad gereden! En ik deed het ook wel eens per rijtuig met deze zelfde paarden, toen zij nog krachtig en vlug waren, en dan kon ik den afstand gemakkelijk in drie uren afleggen, maar thans zouden wij er zeker een etmaal voor noodig hebben!”

„Maar er moet toch een trein naar de stad loopen?” reep Charly uit.

„Wij zullen er maar niet op rekenen, mijnheer, dat er thans treinen loopen,” gaf Palocza schouderophalend [16]te kennen. „Natuurlijk hebben de Rooden daar reeds beslag op gelegd, en van een geregelden dienst is geen sprake meer, trouwens, ook onder normale omstandigheden liepen er zoo laat in den nacht toch geen treinen. Wij zijn geheel aangewezen op de paarden!”

„Maar zijn er hier nergens auto’s te huren?” ging Raffles voort.

„Misschien zijn er hier in de buurt nog wel auto’s en misschien kunt gij ze ook wel huren, maar gij zoudt er een onzinnig hoogen prijs voor moeten betalen, onder de tienduizend kronen zoudt gij zeker niet ver komen, en de Rooden hebben u al uw geld ontstolen!”

„O, maar ik heb nog wel eenige zaken bij mij, die evenzeer van waarde zijn,” hernam Raffles luchtig.

Hij bukte zich, reeg zijn schoen los, nam hem in de hand, en tot groote verwondering van den baron schroefde hij een gedeelte van den hak los, waardoor een holte te zien kwam, waarin een klein pakje lag.

Raffles nam het er uit, wikkelde het los, en daarna glansde in het licht van de lantaarns een zestal buitengewoon fraaie diamanten, volgens de waarde van het inheemsche geld zeker verscheidene millioenen kronen waard!

„Gij zult het wellicht een weinig vreemd vinden, baron,” zeide Raffles, „maar wanneer men zich naar Hongarije begeeft, dan neemt men eenige voorzorgsmaatregelen. Het is een oude truc, maar ik ben verheugd, dat ik haar heb toegepast!”

Charly zeide niets, maar nu begreep hij de kalmte van Raffles, toen hem al zijn gereed geld werd afgenomen!

Maar toch, het zou moeilijk zijn, deze steenen te verkoopen in een land waar het geld bijna geen waarde meer had en men waarschijnlijk wel aan andere dingen zou denken, dan aan het koopen van juweelen!

Wanneer het in Boedapest geweest was, dan zou het nog wat anders geweest zijn, maar Versecz was in ieder geval een stad van den tweeden rang.

Er viel echter niet te aarzelen, men moest het wagen!

Palocza had de steenen vol aandacht en bewondering bekeken, en riep toen uit:

„Die zes steenen zouden zelfs in Engeland een klein fortuin vertegenwoordigen, graaf! Zij zijn van het zuiverste water en zeer groot, terwijl zij bovendien onberispelijk geslepen zijn!”

„Denkt gij, dat ik er hier een paar millioen kronen voor zou krijgen?”

„Een paar millioen?” herhaalde de baron. „Veel meer, graaf! Deze steenen zouden volgens de waarde van ons geld, wel ongeveer twintig millioen moeten opbrengen!”

„Kom, kom, gij overdrijft!” hernam Raffles.

„Ik zeg u dat het zoo is, juist voor diamanten worden tegenwoordig in ons land buitensporige prijzen betaald! En weet gij waarom? Omdat het het eenigst bezit is, dat men met kans op welslagen kan verbergen en dat steeds zijn waarde blijft behouden.”

„Deze steenen zouden ons dus uit den nood kunnen helpen?”

„Natuurlijk, voorzoover zij niet door de Rooden ontdekt worden,” antwoordde Palocza.

„Dat zullen wij zoo lang mogelijk trachten te voorkomen!” hernam Raffles, terwijl hij de diamanten weder in het vloeipapier wikkelde en ze weder zorgvuldig in de holte van den hak verborg, waarop hij het lederen deksel, dat met ijzer beslagen was, weder op zijn plaats bevestigde.

Daarop vroeg de Groote Onbekende:

„Is er voor Versecz geen stad, of een groot dorp, waar wij kunnen overnachten?”

„Het eerste plaatsje van eenige beteekenis is Sipec. Wanneer het niet in de handen der Rooden is, of tenminste van lieden, die om ons vrijgeleide niets geven, dan zouden wij daar wel kunnen overnachten!”

„Hoever is dat plaatsje hier van daan?”

„Nog bijna een uur rijden!”

„Laten wij dan onzen weg voortzetten, tot wij Sipec bereikt hebben. Het dient tot niets, om ons zoo onzinnig te vermoeien, en mijn secretaris zal nog wel genoeg geld bij zich hebben, om het logies in een eenvoudig logement te betalen. Er valt natuurlijk niet aan te denken, om daar mijn diamanten aan den man te brengen!”

„Daarin zoudt gij niet slagen, graaf, al hadt gij er slechts één en al was hij zoo klein als een zandkorrel,” zeide Palocza. „Sipec is een dorp en niets meer, met een boerenbevolking, en de versierselen, die men daar draagt zijn hoogstens van goud. Mocht echter het geld van uw secretaris niet toereiken, [17]dan verkoopen wij het wagentje en de paarden.”

„En hoe zouden wij dan verder moeten komen?” vroeg Charly, die nog slechts dacht aan de beste wijze, om hier snel en veilig vandaan te komen.

„Wij zouden een boerenwagen kunnen huren, mijnheer,” antwoordde Palocza.

Intusschen had het rijtuig zijn weg vervolgd en de koetsier moest hier wel goed bekend zijn, want wat de drie Engelschen betreft, zij konden geen hand voor oogen zien, daar de maan weder achter de wolken was verdwenen, en men thans te midden van een dicht bosch reed.

Maar de oude Marek vertrouwde op het instinct zijner paarden en daaraan deed hij verstandig, want nog geen uur later reed het rijtuig het dorp Sipec binnen, waar alles wonderlijk rustig was en waar niets scheen te duiden op de aanwezigheid van Roode troepen.

En toch moesten zij er zijn, want nog geen vijf minuten vóór zij het dorp binnenrukten, hadden de reizigers opnieuw hun vrijgeleide moeten toonen.

Van den strijd echter, die nu op hevige wijze tusschen de Rooden en Witten moest gevoerd worden, was hier niets te vernemen.

Alles was rustig en stil, alles sliep.

Bij het eerste logement liet Marek het rijtuig stilstaan en klom van den bok.

Alles was daarbinnen donker, maar desniettemin klopte hij aan en sloeg, toen er niet spoedig genoeg werd opengedaan, met het uiteinde van zijn zweep op de deur.

Eindelijk werd er boven in het logement een raam geopend, een hoofd kwam naar buiten steken, bedekt met verwarde haren en een schorre stem vroeg in de landstaal:

„Wie klopt daar voor den duivel, als een dronkaard op mijn deur? Pak je weg, of ik zal je toonen, dat ik een geweer hanteeren kan!”

„Ik kan niet zeggen, dat de ontvangst bijzonder vriendelijk is!” zeide Raffles glimlachend.

Palocza verhief zijn stem en riep:

„Wij willen bij je overnachten, vriend Pusto! Ken je mij niet meer?”

„Zijt gij het baron?” liet de stem zich opnieuw hooren, maar met een geheel veranderden klank. „Waarom hebt gij dat niet dadelijk gezegd! Ik kom aanstonds bij u, maar met de Roode honden in de buurt moet men zich in acht nemen.”

Het hoofd verdween en een paar minuten later werd de deur geopend en kwam er een man naar buiten, die een groote kaarslantaarn droeg.

Hij hief haar in de hoogte en zeide:

„Hebt gij vrienden bij u, baron? Ik weet niet, of ik wel ruimte voor de heeren heb.”

„O, wij zijn niet veeleischend, vriend Pusto!” antwoordde de baron. „Wij zijn op de vlucht, en deze heeren, die mijn vrienden zijn, zullen zeker geen hooge eischen stellen.”

Raffles, die den zin van het gevoerde gesprek wel had begrepen, zeide nu, in het Duitsch:

„Wij kunnen met zijn drieën gemakkelijk in één kamer slapen, baron, als gij wist, welke ontberingen wij wel eens doorstaan hebben op onze reizen in vreemde landen, dan zoudt gij dit begrijpen.”

Reeds was Henderson uit het rijtuigje geklommen, en droeg nu de valiezen naar binnen, het was duidelijk dat de brave reus in geen geval genoegen zou hebben genomen met een weigering van den logementhouder om hen op te nemen!

En oogenblik later was het rijtuig gestald, de paarden deden zich te goed aan een weinig haver, door Pusto als voorzorgsmaatregel uit een geheime bergplaats te voorschijn gehaald, en de vier reizigers gebruikten het avondmaal in de holle gelagkamer, slechts door de lantaarn verlicht, en in een niet bepaald opgewekte stemming. [18]

[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

De tien millioen verwisselen opnieuw van eigenaar.

Om twee uur begaven de vluchtelingen, want anders kon men hen niet noemen, zich ter ruste, en om zes uur werden zij plotseling weder gewekt door kanongebulder.…

Raffles was de eerste, die de versleten deken van zich wierp en opsprong uit het eenvoudige withouten bed, beter gezegd een soort krib, die hem tot legerstede had gediend.

Hij zat een oogenblik aandachtig te luisteren, maar het was hem onmogelijk met juistheid de richting te bepalen, waaruit het kanongedonder klonk.

Nu ontwaakte ook Charly, die Raffles vragend aankeek, zich de oogen uitwreef en met een slaperige stem riep:

„Ik droomde waarachtig, dat er alweer geschoten werd!”

„Dat droomde je niet, zij schieten inderdaad, Charly,” zeide Raffles laconiek.

Charly was met een wip overeind, luisterde eenige oogenblikken en riep toen:

„Ja, je hebt gelijk! Zij zijn alweer aan den gang! Het is hier een bij uitstek lief land, en wanneer de heeren zijn uitgevochten, zal ik graag nog eens terugkomen, maar op dit oogenblik zou ik niets liever wenschen, dan met bekwamen spoed te vertrekken! Ik zou onwaarheid spreken, als ik zeide, dat ik aangename herinneringen aan dit uitstapje behoud! Het klinkt misschien een weinig onkiesch, maar ik leef letterlijk van het ongedierte! Is dat met jou ook het geval?”

„Ik zie geen enkele reden, waarom de luizen van dit land speciaal voor mij een uitzondering zouden maken!” antwoordde Raffles droogjes. „Wij zullen aanstonds ergens een bad trachten te nemen, wij zullen onze kleederen aan een nauwkeurige inspectie onderwerpen en dat is alles, wat wij er tegen kunnen doen. Het spijt mij, dat ik het zeggen moet, maar het ongedierte en de Balkanstaten schijnen nu eenmaal onverbrekelijk met elkander verbonden te zijn!”

Charly ging dadelijk op onderzoek uit, maar in het geheele dorp was niets wat op een badinrichting leek.

Sterker, men keek hem aan, alsof men meende, met een gek te doen te hebben toen de jonge man zich van de gebarentaal bedienend, informeerde naar de aanwezigheid van een badhuis.

Zeep was beter bekend, tenminste van vroegere tijden, maar daar een klein stukje honderd zestig kronen kostte, speende men zich liever van dit kostbare reinigingsmiddel!

Maar gelukkig liep er een helder stroompje langs het dorp en niet zoodra had Charly dit ontdekt, of hij ging Raffles en Henderson waarschuwen en in een ommezien hadden de drie mannen zich naar het riviertje begeven en ontkleedden zich achter een dicht boschje, waarop zij zich in het frissche nat stortten en met onzegbaar welbehagen in het kristalheldere water rondspartelden, zoodat alle ongenoode gasten van dien nacht het leven lieten.

Zij kleedden zich weder aan, na hun kleederen duchtig te hebben uitgeschud en begaven zich naar het logement, waar zij baron Palocza reeds in de gelagkamer aantroffen, bleek en ongerust en in gesprek gewikkeld met Pusto, die zich thans vertoonde als een zwaar gebouwd man, met het gelaat van een goedigen buldog en vuurrood haar.

Het schieten was juist een weinig bedaard, toen de drie mannen de gelagkamer binnentraden.

Zij begroetten Palocza, den reisgenoot, met wien zij op zulk een onverwachte wijze in aanraking waren gekomen, en deze vroeg aanstonds:

„Hebt gij het artillerievuur gehoord?”

„Wij zijn er door wakker geworden, baron,” antwoordde Raffles. „Wat is er eigenlijk gaande?” [19]

„Ik vermoed dat de Witten versterking hebben gekregen en tot een tegenoffensief zijn overgegaan,” antwoordde Palocza. „De Rooden hebben in geen geval zooveel artillerie en bovendien, het geluid wordt sterker, een bewijs, dat de kanonnen in deze richting oprukken, en dat kan niet anders het geval zijn, dan wanneer de Rooden wijken!”

Als om deze woorden te bevestigen, barstte opnieuw een hevig geschutvuur los, en thans merkbaar dichter bij het dorp.

„Laten wij gaan zien, wat het is!” stelde Raffles voor. „Maar eerst moeten wij ontbijten, wie kan zeggen, wanneer wij er weder toe in staat zijn!”

Zoo snel mogelijk gebruikten de mannen het ontbijt, dat bestond uit tamelijk goed brood, donker van kleur, schapenkaas, een soort melkspijs en een klein stukje schapenvleesch.

De drank bestond uit Hongaarschen wijn, en hij was voortreffelijk.

Raffles en Charly stopten hun pijpen en daarop verlieten allen het logement om zich te begeven naar een hoogen heuvel, die zich ten Noorden van het dorp verhief en vanwaar men een zeer ver uitzicht had.

Toen zij daar aankwamen, vonden zij reeds bijna de geheele bevolking van het kleine plaatsje op den heuveltop verzameld, maar er was ruimte in overvloed om wel zesmaal het aantal inwoners te bergen, en zoo hadden de vier mannen geen moeite, zich een goede plaats te veroveren, zoodat zij de vlakte konden overzien.

Heel in de verte, op minstens drie kilometers afstand, zagen zij de granaten in de stellingen der Rooden inslaan.

De projectielen ontploften met een soort gebrul en verwekten een zwarte rookwolk, die echter spoedig door den vrij hevigen wind in flarden werd uiteen gereten.

De Rooden bleken ook over eenige stukken te beschikken en waarschijnlijk was het de klank van dit geschut, hetwelk de reizigers hadden vernomen.

Het was een batterij van niet meer dan vier stukken veldgeschut, welke stond opgesteld achter een boerderij, terzijde van de toeschouwers op den heuvel, en ongeveer één kilometer naar voren gelegen. Men kon heel duidelijk in de heldere morgenlucht zelfs met het bloote oog het bewegen zien van de manschappen, die de stukken bedienden.

De Rooden schoten wat zij konden en het was duidelijk, dat zij tot het uiterste zouden trachten stand te houden.

De strategische waarde van deze stelling was onmiskenbaar en als zij haar verloren, zou wellicht hun geheele front aan het wankelen worden gebracht.

Klaarblijkelijk zochten de Witte artilleristen naar de plek, waar de Rooden hun geschut hadden opgesteld, zonder het aanstonds te kunnen vinden.

Maar eensklaps verscheen er, hoog in de lucht, een vliegmachine.

Men behoefde er niet aan te twijfelen, dat zij van den kant der Witten kwam, teneinde de vijandelijke stelling te verkennen.

Zij cirkelde eenigen tijd op een hoogte van bijna achthonderd meter boven de loopgraven der Rooden, kwam toen dichterbij, en moest nu de opstelling van de vier kanonnen reeds ontdekt hebben.

Er ploften snel achter elkander eenige zwarte rookwolkjes uit de vliegmachine, zeker het afgesproken sein, want een paar seconden later sloeg onder donderend gekraak, dat hier op den heuvel duidelijk verneembaar was, een granaat van zwaar kaliber in de boerderij, waar achter de vier stukken waren opgesteld.

„Dat is de hoeve van Matusec!” zeide een der dorpbewoners, op gedempten toon. „Die arme Matusec, hij was pas een maand gelegen getrouwd en hij had de hoeve gekocht van zijn spaarduitjes! Wij worden zwaar beproefd, zwaar beproefd!”

Dadelijk stemden anderen met deze klacht in en allerwege werden vervloekingen en heesche woorden van drift en woede vernomen.

En intusschen bleef het granaten hagelen op de ten ondergang gedoemde hofstede.

Zij was niet groot, en na dertig treffers was zij met den grond gelijk gemaakt.

Men moest den Rooden geven wat hun toekwam, zij vochten als leeuwen, en zelfs toen hun artilleriestelling ontdekt en geheel ontbloot was, bleven zij doorvuren, tot dat één voor één alle stukken waren vernield.

Toen had er een hevige ontploffing plaats, een granaat van de tegenpartij was in een kleinen stapel projectielen geslagen, en toen was alles stil.

De vliegmachine verscheen opnieuw, als een roofvogel boven de stelling zwevend en scheen zich te overtuigen dat het werk goed gedaan was! [20]

Weer seinde zij door het uitlaten van een paar zwarte rookwolkjes en toen keerde zij terug.

Een dof gerommel werd nu hoorbaar, dat was het geschut van de andere partij.

De granaten sloegen in voortdurend grooter aantal in de loopgraven der Rooden in en toen kwam er, zonder dat men kon zien van waar, eensklaps honderden en nog eens honderden kleine figuurtjes aanstormen, die weer even plotseling als door de aarde werden verzwolgen.

„Dat is de aanval, Mylord!” zeide Henderson op ernstigen toon. „Ik weet, wat het is, ik ken de verschrikkelijke gevechten in de loopgraven!”

Ongeveer tien minuten verstreken en met gezichten, bleek van aandoening, staarden de menschen op den heuveltop naar dit schouwspel.

De kanonniers van de Witten hadden hun vuur meer vooruitgebracht en bestreken nu het terrein, dat achter de loopgraven van de tegenpartij was gelegen.

Nu liet zich ook het razend snelle getik van de mitrailleurs hooren en daar tusschen klonk het doffe gebonk van de werpmijnen, als zij ontploften.

En plotseling werd het terrein, dat achter de loopgraven was gelegen, levendig, een paniek had de Roode troepen eensklaps aangegrepen, een wilde vlucht was begonnen.

De aanval was blijkbaar volkomen geslaagd, de Witten waren tot diep in de stelling der Rooden doorgedrongen en de bezettingen van de meer achterwaarts gelegen loopgraven hadden den schok niet durven afwachten, wierpen hun wapens weg en trachtten door de vlucht het veege lijf te redden.

Men zag hen, alleen, of groepsgewijze, over de vlakte snellen, en telkens werden er achterhaald door de kogels uit de meedoogenlooze mitrailleurs of door een ontploffende granaat, die hunne ledematen uiteenrukte, en ze soms bij troepjes van vijf of acht man als een wervelwind van de aarde vernietigde.

Een half uur later kwamen de eerste vluchtelingen door het dorp Sipec snellen, aangegrepen door een wilde paniek, waanzinnig van ontzetting, en niet langer in staat om weerstand te bieden.

Nu zij hun geschut kwijt waren, schenen de troepen eensklaps door ontmoediging te zijn aangegrepen en de zaak als verloren te beschouwen.

Na de infanterie kwamen afdeelingen van den trein, die in woesten galop door de straten joegen en waarvan de bestuurders als waanzinnig op de paarden losranselden.

En nu werden ook eensklaps de bewoners van het dorp door verbijstering en schrik aangegrepen!

Het zou niet lang duren, of de steeds dichterbij neervallende granaten zouden hun woonplaats bereikt hebben!

Maar de Witten schenen te begrijpen, dat zij zooveel mogelijk de plaatsen moesten sparen, waar lieden woonden, die hun zaak waren toegedaan en daarom spaarden zij het dorp.

Hun cavalerie, ter sterkte van ongeveer een half regiment, zou de vervolging op zich nemen en de gedemoraliseerde troepen geheel uiteenslaan.

Reeds kwamen in snellen galop de ruiters aanrennen en hun sabels blonken in het licht van de zon, die nog niet lang boven de kim stond.

Raffles en zijn drie metgezellen hadden hun observatie-post niet verlaten, toen het geschutvuur begon te zwijgen, want zij wisten wel, dat de Rooden er niet aan konden denken, onder deze omstandigheden stand te houden!

Nog telkens kwamen er vluchtelingen voorbij en door zijn kijker kon Raffles waarnemen, hoe de Rooden bij troepjes tegelijk werden gevangen genomen, en zelfs meende hij te zien, hoewel hij het niet zeker durfde zeggen, dat zij bij tientallen tegelijk op de plaats zelve werden gefusilleerd.

Met bleek gelaat bleven de mannen toezien, toen zij zoo ongedacht getuigen waren van een tooneel uit den vreeselijken burgeroorlog.

„God geve, dat ons land hiervoor gespaard blijve!” zeide Charly met bevenden stem. „Het is afschuwelijk.”

„Ja Charly, dat is het!” zeide Raffles op ernstigen toon. „En het ergste is, te bedenken, dat dit alles tot niets leidt, dat het geen nut hoegenaamd heeft, omdat alles toch, in eenigzins gewijzigden vorm misschien, bij het oude zal blijven!”

Daar kwam reeds de ruiterij der Witten voorbij stormen, die den weg volgde, welke langs den voet van den hoogen heuvel liep en even later was zij tusschen de huizen van het dorp verdwenen.

Maar een afdeeling infanterie rukte aan en begon den heuvel te beklimmen vanwaar men het geheele dorp gemakkelijk kon overzien, en die dus een voortreffelijk strategisch punt opleverde.

De afdeeling stond onder bevel van een luitenant [21]en deze was niet weinig verbaasd, toen hij daar op den heuveltop vier mannen aantrof, waarvan er drie oogenschijnlijk vreemdelingen waren, die daar zoo rustig stonden toe te zien, alsof zij getuigen waren van een bioscoopopname in plaats van een gruwelijk gevecht!

De luitenant, een jonge man nog, met een fijn besneden gelaat, bleek voortreffelijk Duitsch te kennen, en richtte zich tot Raffles met de vraag:

„Wilt gij mij zeggen, hoe gij hier komt, mijnheer?”

„Met het grootste genoegen, luitenant,” antwoordde Raffles. „Maar ik zou deze vraag liever richten tot dezen heer, Horváth de Palocza, want hij is uit deze streek geboortig, ik ben slechts een vreemdeling en hij zal u beter alles kunnen mededeelen, dan het mij mogelijk is!”

De jonge luitenant wendde zich met een vragende uitdrukking op zijn gelaat tot zijn landgenoot en nu deelde Palocza hem mede, op welke wijze hij in aanraking was gekomen met graaf Grasham, en wat er sedert zijn komst geschied was.

Hij sloeg geen enkele bijzonderheid over, behalve die van den uitgeholden schoenhak, want zijn taktgevoel zeide hem, dat de Engelschman er volstrekt niet op gesteld zou zijn, dat deze bijzonderheid nog aan anderen bekend werd.

De luitenant had met aandacht geluisterd en zeide nu:

„Dan moogt gij van geluk spreken, graaf! Ik geloof niet, dat alles zoo goed zou zijn afgeloopen, wanneer onze aanval niet met succes bekroond ware! Voor uw vrijgeleide geef ik geen heller! En nu kan ik u iets mededeelen, wat u waarschijnlijk wel genoegen zal doen, tijdens den aanval hebben wij een groote afdeeling der Rooden van het gros kunnen afsnijden, die zich hadden geïnstalleerd op een groote buitenplaats bij Berény.”

„Dat is de mijne, luitenant!” riep Palocza uit.

„Dat had ik wel kunnen vermoeden uit uwe mededeelingen, baron,” hernam de jonge luitenant. „Welnu, wij vonden den aanvoerder van dien troep in het bezit van ruim twaalfduizend pond in Engelsche bankbiljetten en bovendien nog eenige tienduizenden kronen, alles in een geellederen portefeuille, die van een grafelijk wapentje voorzien was, ongetwijfeld de uwe!” zoo wendde hij zich tot Raffles.

„En mag ik weten, wat men met het geld gedaan heeft?” vroeg deze.

„Natuurlijk heeft de generaal het aanstonds in beslag genomen, graaf!”

„Het is dus weder tot mijn beschikking?”

„Dat is iets, waarop ik u tot mijn spijt niet kan antwoorden!” gaf de luitenant te kennen. „Maar mij dunkt, dat gij het hem slechts te vragen hebt, waarschijnlijk zal hij het u aanstonds teruggeven.”

Raffles had den jongen man aandachtig gade geslagen, toen hij dit zeide en hij verbeeldde zich, een verlegen uitdrukking op het gezicht van den luitenant te zien, alsof hij zelf niet heel zeker was van hetgeen hij zeide.

Raffles kon zich echter volstrekt niet voorstellen, wat er in hem kon omgaan.

Het sprak immers van zelf, dat men hem het geld weder zou moeten teruggeven dat hem door de Rooden was afgenomen!

Maar nu vroeg baron Palocza:

„Hoe is de naam van uwen generaal, luitenant?”

Esterházy, baron.”

„Hm!” was alles wat Palocza zeide.

Raffles trok zijn wenkbrauwen op, en keek van den een naar den ander.

Toen wendde hij zich tot zijn gastheer van den vorigen dag en vroeg: „Ben ik onbescheiden, baron, wanneer ik u vraag naar de beteekenis van dat korte tusschenwerpsel?”

„De zaak is, ik weet eigenlijk niet.…” stamelde Palocza. „Gij zult het zelf wel zien.”

„Neem mij niet kwalijk, dat ik aandring, baron,” hernam Raffles. „Gij moet begrijpen, dat ik tot iederen prijs mijn geld terug wil hebben, nu het een maal weder in handen is der partij, in welker midden wij ons nu bevinden. Gij echter zoudt in mij het vermoeden wekken, dat er moeilijkheden verbonden zouden zijn aan de terugvordering van mijn eigendom, en ik zou gaarne weten, waarin die kunnen bestaan.”

Nog scheen de baron te aarzelen, en hij wierp een snellen blik op den luitenant, die zwijgend terzijde stond, en op zijn fijnen, zwarten knevel beet.

Toen vervolgde hij fluisterend:

„Ik kan het u niet zeggen, terwijl een luitenant van dien man er bij is, hij is in ieder geval zijn meerdere, en hij zou niet behoeven te dulden, dat in zijn tegenwoordigheid van dien meerdere kwaad werd gesproken, al is het dan stellig wel verdiend!”

„Gij maakt mij nieuwsgierig, baron. Laten wij [22]dan een weinig terzijde gaan, en de gevoelens van dien jongen man sparen!”

De twee heeren verwijderden zich een weinig van de anderen, en daarop begon Palocza, zoo zacht, dat de overigen hem onmogelijk zouden kunnen verstaan:

„Ik ken dien Esterházy niet persoonlijk, en ik zou hem ook niet willen kennen, maar wat ik van hem gehoord heb uit den mond van volkomen geloofwaardige vrienden, dat is niet veel goeds! Ik sta uit den aard der zaak aan den kant der Witten, maar ik wil hier onmiddellijk aan toevoegen, dat zij zekere elementen in hun midden hebben, die geen fatsoenlijk man tot zijn vrienden zou willen rekenen. En daarvan is die Esterházy wel de ergste, de man is wreed als een tijger, onvermurwbaar tegenover iederen Roode, die hem in handen valt, en hij rooft en steelt als de ergste struikroover! Alles onder het voorwendsel, geld en kostbaarheden voor de Rooden in veiligheid te brengen. De burgeroorlog is nu voor hem niets anders dan een bloedige tijdpasseering, een soort sport, die hij met even veel vermaak beoefent, als de jacht op herten en wilde zwijnen.”

„Dat alles neem ik gaarne aan, baron,” zeide Raffles, die aandachtig had toegeluisterd. „Maar ik kan niet inzien, waarom ik mij daarvan iets zou aantrekken. Mijn geld bevindt zich thans in handen van generaal Esterházy en ik zou wel eens willen zien, dat hij het zou wagen, het te onthouden aan een Engelsch onderdaan!”

„Denk vooral niet, dat uw nationaliteit u zou beschermen, graaf!” hernam Palocza hoofdschuddend. „Hij heeft niet lang geleden, toen de opstand op zijn hevigst was, zelfs een Duitscher uitgeschud. Hij weet heel goed, dat men te Berlijn, te Londen en te Parijs thans wel aan andere dingen te denken heeft dan aan een strafexpeditie! Bovendien, zoo zou men de Rooden immers in de kaart spelen!”

„Maar het is mij volkomen onbegrijpelijk, baron, dat men van dit alles te Boedapest onkundig schijnt te zijn!”

„Men is daar niet onkundig van, graaf!” zeide Palocza rustig.

„Wat! Men weet het, en men laat het kalm toe?” riep Raffles uit, die zijn ooren niet gelooven kon.

Maar de baron haalde weder de schouders op, een beweging, welke men zich in dit land en in deze tijden al heel spoedig aanwendde en antwoordde:

„Men doet alsof er niets gebeurt! Esterházy is een schurk, maar een voortreffelijk veldheer, een der beste van het Hongaarsche leger, en daarenboven heeft hij zeer grooten aanhang, ook op politiek gebied. Ja, ik zie, dat gij ongeloovig de wenkbrauwen fronst, maar dat is alleen, omdat gij uit een land als Engeland komt, waar dergelijke dingen eenvoudig ondenkbaar zijn.”

„Inderdaad, ik moet zeggen, dat ik verstomd sta!” hernam Raffles. „Dat het zoover moest komen met dit schoone land.”

„Men laat te Boedapest heel wat toe, ten einde den strijd tegen de communisten tot iederen prijs te kunnen winnen!” hernam Palocza op bitteren toon. „De hulp van Esterházy is onontbeerlijk, en daarom ziet men van hem heel wat door de vingers.”

„En zou men het ook door de vingers zien, dat hij een Engelschman berooft voor een bedrag, dat de 13,000 pond sterling te boven gaat?” riep Raffles toornig uit.

Palocza zweeg, maar dit zwijgen was welsprekender dan woorden het konden zijn.

Raffles keek hem een oogenblik strak aan, en zeide toen:

„Het is goed, baron, ik dank u voor uwe waardevolle inlichtingen, ik weet nu, waaraan ik mij te houden heb! En ik weet tevens, dat ik geheel op mij zelf aangewezen zal zijn, om mijn eigendom terug te krijgen!”

„Ik hoop van harte, dat gij er in zult mogen slagen, uw geld uit de handen van dien schelm te krijgen, graaf!” hernam Palocza. „Maar als gij hem zult kunnen overreden, dan zoudt gij waarschijnlijk de eerste zijn!”

„O, er zijn nog wel andere middelen!” zeide Raffles koeltjes. „Als overreden niet helpt, wel, dan zal ik dien mijnheer Esterházy eens toonen, hoe een Engelschman zich weet te helpen!” [23]

[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

De kennismaking met generaal Esterházy.

De beide heeren begaven zich langzaam weder terug naar het kleine groepje dat zwijgend bijeen was blijven staan.

De luitenant, die natuurlijk zeer goed begreep, waarover het gesprek had geloopen, en die er in het geheel niet naar uitzag, alsof hij de zonderlinge methodes van zijn onmiddellijken chef goedkeurde, begon aanstonds over andere dingen te spreken.

Hij wendde zich tot baron Palocza en zeide:

„Wanneer gij soms naar uw buitenverblijf mocht willen terugkeeren, baron, staat niets in den weg. De Rooden zijn er gelukkig uit verdreven, voor zij den tijd hadden kunnen vinden, iets te vernielen.”

„Ik zal er niet terugkeeren, luitenant!” zeide Palocza op ernstigen, droeven toon. „Ik vertrek. Het landgoed is verkocht aan graaf Grasham, dien gij hier voor u ziet. Tenminste,” zoo wendde hij zich tot Raffles, „wanneer gij niet van gedachte zijt veranderd.”

„Geenszins, baron!” antwoordde Raffles. „Ik moet er u alleen opmerkzaam op maken, dat.… ik geen geld heb, om u te betalen.”

„Laat u dat niet verontrusten!” zeide Palocza met een flauwen glimlach. „Natuurlijk heb ik bij deze en gene van mijn Engelsche vrienden naar den kooper, die op mijn advertentie antwoordde, geïnformeerd, en die inlichtingen konden niet beter en gunstiger zijn! Ik weet, dat graaf Grasham een onbeperkt crediet heeft op de Londensche bank, ik wil en kan hier niet langer blijven, ik zou in staat zijn, mijn landgoed ten geschenke te geven! Ik vertrek nu aanstonds naar Boedapest, en daar zult gij mij nog veertien dagen kunnen vinden, want zoolang zal het wel minstens duren, voor ik mijn passen en andere papieren in orde heb gemaakt. Het spijt mij waarlijk, dat ik niet langer uw gastheer kan zijn, maar gij zoudt toch bitter weinig aan mij hebben!”

„Ik wil u volstrekt niet ophouden, baron, en wij zullen dan afspreken, dat wij elkander te Boedapest weder treffen. Geef mij slechts uw adres.”

„Ik logeer in het hotel de La Promenade.”

„Uitstekend! Dan wensch ik u een goede reis, ofschoon wij nog wel eenigen tijd bij elkander blijven, tot wij het hoofdkwartier van generaal Esterházy hebben bereikt. Ik denk, dat daar onze wegen zich wel kunnen scheiden!”

„Wanneer ik u van dienst kan zijn door u een paar manschappen mede te geven, graaf, dan ben ik gaarne tot uwe beschikking!” kwam nu de jonge luitenant, terwijl hij hoffelijk salueerde.

„Wij nemen uw aanbod gaarne aan, luitenant, en zeggen er u dank voor!” antwoordde Raffles.

„Hebt gij soms een voertuig?” ging de luitenant voort.

„Ja, wij zijn hier met mijn rijtuig gekomen, het eenige, wat de Rooden mij wel hebben willen laten!” zeide Palocza.

„Dan zou ik daar maar gebruik van maken,” hernam de luitenant. „De afstand is vrij ver, en gij zoudt het niet kunnen loopen. Is er plaats voor twee mannen meer?”

„Dat zal wel gaan,” antwoordde Palocza. „De paarden hebben een geheelen nacht en een gedeelte van den morgen goed gerust, en een maal haver gehad, een zeldzaamheid voor de arme dieren!”

„Dan kunt gij, als gij wilt, aanstonds vertrekken.”

De luitenant wees twee mannen aan, die zich bij [24]de reizigers voegden, en de terugtocht naar het dorp en het logement werd aanvaard, nadat de luitenant snel een vrijgeleide voor de reizigers had geschreven.

Marek werd bij de paarden gevonden.

Die schenen hem wel zooveel belangstelling in te boezemen, dan de zooeven in het voordeel der Witten besliste strijd!

De dieren werden weder voor het rijtuig gespannen, de waard werd vorstelijk beloond, de reizigers drukten den vriendelijken luitenant de hand, en de paarden trokken aan.

Het rijtuig reed het dorp weder uit, en volgde den weg, dien het een dag te voren was afgereden, maar nu in tegenovergestelde richting.

Nu en dan gaven de soldaten aan Marek te kennen, welke richting hij moest volgen.

Al spoedig kwamen de reizigers afdeelingen Witten tegen, en dan moesten zij telkens hunne papieren toonen.

Palocza scheen echter algemeen bekend te zijn bij de officieren, want hij werd allerwege hartelijk begroet, en zijn aanwezigheid was de anderen van wezenlijk nut.

Maar ook reden de mannen in het wagentje langs tal van lijken, meerendeels Rooden, langs stukgeschoten mitrailleurs en overblijfselen van wagens die door een granaat waren getroffen.

De gansche gruwel van den oorlog ontvouwde zich hier voor de reizigers, die stil en ontdaan door zooveel ellende neerzagen op deze wrakstukken van den broederkrijg.

Een kwartier later begonnen de paarden eensklaps te snuiven.

Men reed juist langs een langen muur, die een grooten tuin omgaf.

En aan den voet van dien muur vlak naast elkander lagen een dertigtal onbewegelijke lichamen.

Ter hoogte van een paar meter vertoonde de muur talrijke plekken, waar kogels de steenen hadden getroffen.

Gefusilleerd!” zeide Raffles zachtjes. „Ik had dus zooeven wel goed gezien. De mannen hebben geen van allen een geweer, en zij zijn gebonden!”

Hij wendde zich tot Palocza en vervolgde:

„Wij lezen altijd van de onnoemelijke gruwelen door de Rooden bedreven, ik kan niet nagaan, in hoeverre die verhalen al of niet overdreven zijn, maar hier zie ik met eigen oogen, hoe de Witten den strijd voeren, baron!”

Palocza knikte eenige malen zwijgend, en mompelde:

„Allen, allen verdierlijken in dezen afschuwelijken strijd van Hongaar tegen Hongaar! Deze worsteling kweekt monsters, meedoogenloozer dan de oorlog het heeft kunnen doen!”

Zwijgend werd de tocht voortgezet.

De weg liep nu langs een reeks granaatkuilen en hier en daar was ook de weg zelf opengereten door een granaat, en moest Marek met de grootste voorzichtigheid de paarden besturen.

Maar nu werd de voormalige stelling van de Witten bereikt, en men ontmoette de eerste voorposten, bij het hoofdkwartier behoorend.

Men bevond zich nu dicht bij het plaatsje Berény, en een der soldaten van de Witte garde deelde mede, dat generaal Esterházy daar zijn staf had gevestigd.

Nog een kwartier en toen reed het wagentje het stadje binnen, eigenlijk niet veel meer dan een groot dorp.

Bij de eerste huizen liet Palocza het wagentje stilhouden.

Hij richtte zich tot Raffles en zeide op ernstigen toon:

„Hier scheiden zich onze wegen, graaf, tenminste voorloopig. Ik ben er niet op gesteld, in aanraking te komen met dien man. En ik ben er van overtuigd dat mijn woorden heel weinig gewicht in de schaal zullen leggen. Ik zou niet eens onder eede kunnen getuigen, dat gij de koopsom werkelijk aan de Rooden hebt afgestaan, want ik heb die som niet in uw portefeuille gezien. En daarom ga ik aanstonds verder en tracht Temesvár te bereiken, waar ik, naar ik hoop, een trein naar Boedapest zal vinden.”

„Hoe denkt gij Temesvár te bereiken, baron?”

„Wel er zal hier wel ergens een wagen te krijgen zijn,” zeide baron Palocza onzeker.

„Dat is niet zoo zeker, en daarom zou ik u wel willen voorstellen, om met uw eigen rijtuig verder te gaan!” hernam Raffles.

„O neen! Het rijtuig en de paarden behooren bij den inboedel van het kasteel. Dat is immers uitdrukkelijk bedongen?”

„Dat herinner ik mij niet zoo nauwkeurig, baron!” kwam Raffles. „Maar ik weet wel, dat ik nooit zal toestaan, dat gij hier met uw ouden bediende blijft [25]zoeken naar een rijtuig, terwijl gij er hier kant en klaar een hebt!

Als gij dan volstrekt het paard en het rijtuig bij den inboedel wilt rekenen, stal ze dan te Temesvár en laat het adres van den stalhouder ergens voor mij achter. Later zal ik dan het rijtuig met de bespanning wel terug laten halen.”

Palocza stak Raffles de hand toe en zeide:

„Ik dank u, graaf, ik neem uw aanbod aan, zonder veel omwegen, want ik wil u wel erkennen, dat het niet zoo gemakkelijk zou vallen, hier een rijtuig te krijgen.”

De baron drukte ook Charly Brand de hand, knikte Henderson toe en verliet in galop het gezelschap, terwijl Raffles zich naar de verblijfplaats van generaal Esterházy begaf, die zich met zijn staf had gevestigd in een der groote huizen van het plaatsje.

Maar de brave Marek werd niet vergeten en Raffles drukte hem twee biljetten van duizend kronen in de hand, die voor hem toch niet veel meer waard waren dan twee pond sterling.

De beide soldaten brachten de drie mannen naar het einde van het dorp, stonden daar stil op een tiental meters afstand van een groot huis, dat er wel eenigzins uitzag als een raadhuis, en wezen er naar.

Zij zeiden geen woord, maar Raffles begreep natuurlijk dadelijk, dat hij aan het doel van zijn tocht was gekomen.

„Een van u beiden moet mij vergezellen, en om de waarheid te zeggen, waarde Henderson, zou ik liever mijnheer Charly Brand mede nemen, want ik vrees, dat je je door je drift zou laten medesleepen en denk je eens in onzen toestand wanneer je je zoudt laten verleiden, een Hongaarschen generaal op een plak slaag te onthalen.”

„Maar waarom zou ik dat doen, Mylord?” vroeg Henderson verbaasd.

„Dat is waar ook, je kunt het nog niet weten!” hernam Raffles. „Het gesprek is in het Duitsch gevoerd, en op verren afstand! Welnu dan Henderson, mijn geld is in handen van den generaal, dien ik nu ga bezoeken, en het schijnt, dat er moeilijkheden aan verbonden zullen zijn, het weer uit die handen los te krijgen.”

„Dan kan ik niet anders zeggen, Mylord, dan dat gij groot gelijk hebt, om mij maar liever hier te laten!” zeide de reus langs zijn neus weg. „Want generaal of niet, ik zou dat heerschap eens hardhandig aan het verstand hebben gebracht, hoe ik over hem denk.”

Raffles moest zich omwenden om den glimlach te verbergen, die bij deze woorden om zijn lippen speelde.

Daar stond een man, die in talrijke avonturen den Grooten Onbekende terzijde had gestaan, van wiens eigenaardig beroep hij toch uitstekend op de hoogte was, en hij maakte zich driftig, omdat een ander het waagde, een deel van dat zonderling verworven geld zich toe te eigenen!

Maar hij begreep het spoedig, hier sprak eenvoudig het instinct der rechtvaardigheid bij den braven reus!

Hij kende de middelen en de doeleinden van zijn meester, aan wien hij het leven en meer dan dat verschuldigd was, en de ander, hij mocht dan generaal zijn of niet, was voor hem slechts een ordinaire dief!

Raffles had zich tot Charly gewend en zeide nu:

„Ga mede, jij zult wel getuigenis af moeten leggen, denk ik! Liever had ik gehad, dat baron Palocza ook aanwezig geweest ware, maar ik heb niet willen aandringen, zijn gemoedstoestand was van dien aard, dat hij wel aan andere dingen te denken had, dan een vreemdeling bij te staan!”

De twee vrienden liepen op het groote huis toe, waarvoor een schildwacht op en neer liep, die hen dadelijk aanhield en vroeg, wat zij wenschten.

De vraag was in het Hongaarsch gesteld en de beteekenis was duidelijk.

Raffles antwoordde in het Duitsch.

„Wij wenschen onmiddellijk generaal Esterházy te spreken!”

„Ik weet niet, of dat zoo gemakkelijk zal gaan, mijnheer,” zeide de schildwacht. „Want ik meen, dat de generaal nu aan het werk is. Maar ga slechts naar binnen en laat u aandienen.”

Raffles en Charly gingen het huis binnen, dat inderdaad een gemeentehuis bleek te zijn en liepen al spoedig een anderen militair tegen het lijf, die aan zijn tressen kenbaar was als adjudant.

Ook deze officier bleek voortreffelijk Duitsch te spreken, want hij antwoordde in die taal op de vraag van Raffles:

„Ik zal u bij den generaal brengen, tenminste wanneer gij inderdaad iets van gewicht met hem te bespreken hebt!” [26]

„Van zeer groot gewicht, mijnheer!” antwoordde Raffles.

„Wees dan zoo goed mij te volgen!”

De adjudant ging de beide Engelschen voor door een aantal breede en holklinkende gangen, bracht hen toen naar een vertrek, waar nog eenige andere officieren gezeten waren, stak dit vertrek in zijn geheele lengte over en klopte op een deur, die waarschijnlijk toegang gaf tot een ander lokaal.

Daarop opende hij de deur, sprak eenige woorden naar binnen, deelde den naam van den vreemdeling mede, en toen hij zijn hoofd terug trok, lag er een uitdrukking van verlegenheid en teleurstelling op zijn gezicht.

„Het spijt den generaal bijzonder, mijne heeren, maar hij heeft het te druk, hij kan u onmogelijk te woord staan. Hij laat u verzoeken, over eenige dagen nogmaals uw bezoek te herhalen!”

Maar toen gebeurde er iets, wat zeker uniek was in de annalen van het Hongaarsche militarisme, want Raffles duwde den adjudant eenvoudig beleefd, maar beslist terzijde, onder het uiten van de woorden:

„En mij spijt het, mijnheer adjudant, dat ik geen gevolg kan geven aan deze uitnoodiging, omdat ik een weinig haast heb!”

En vóór de verblufte adjudant nog iets had kunnen zeggen, stonden Raffles en Charly in het vertrek tegenover den generaal, die hen met woedende blikken scheen te willen doorboren, een poging, die hij gerust achterwege had kunnen laten, want zij had niet de minste uitwerking op de beide Engelschen, die daar kalm en rustig midden in de kamer stonden en hem onbevreesd aankeken.

Aan alles was te zien, dat het vertrek in allerijl was ingericht tot slaapkamer, die tevens tot werkkamer kon dienen, want oorspronkelijk was het oogenschijnlijk een archiefkamer geweest, daar het vol stond met langs den wand geplaatste loketkasten.

In een der hoeken stond een fraai ledikant, dat waarschijnlijk door de kwartiermakers ten behoeve van den generaal was opgevorderd bij een der rijkste ingezetenen.

Dicht bij het raam stond een schrijftafel, die ook wel niet tot het meubilair van het gemeentehuis zou hooren en dan stond er nog een groote rustbank, benevens eenige gemakkelijke stoelen.

Generaal Esterházy zat achter de schrijftafel en had zoo juist de pen neer geworpen.

Hij was een man van een jaar of vijftig, met een ruw, pokdalig gezicht, gitzwarte oogen en een geweldige snor, die met haar twee afhangende punten bijna tot op zijn borst neerviel.

Snor en hoofdhaar waren gitzwart, maar deze kleur had haar oorsprong waarschijnlijk te danken aan het bemiddelend ingrijpen van den kapper.

Hij had groote gele tanden, als van een paard en kauwde daarmede op een reusachtige sigaar, waarschijnlijk genomen uit een kistje, dat geopend voor hem stond.

Op een hoek van de schrijftafel stond een blad, waarop een flesch port, een glas water en een kurketrekker vreedzaam bijeen waren.

En voorts zwierven op deze tafel een spel kaarten, een dienstrevolver, een sabel en een paar stafkaarten.

Generaal Esterházy had zich achterover in zijn stoel geworpen en keek de beide bezoekers van onder zijn borstelige wenkbrauwen met een kwaadaardigen blik aan.

„Hebt gij niet gehoord, mijne heeren, wat mijn adjudant u gezegd heeft?”

„Er was geen enkele reden om het niet te hooren, generaal, uw adjudant spreekt werkelijk heel goed Duitsch en wij zijn de taal ook een weinig machtig.”

„En toch waagt gij het hier binnen te dringen?” ging de generaal voort.

„O, het was zulk een groot waagstuk niet,” ging Raffles kalmpjes voort. „Waarom zou het ook? Wij komen slechts een kort gesprek met u voeren en u iets terugvragen!”

„Zoo,” hernam Esterházy op grimmigen toon. „Zoo, zoo, zijt gij die Engelschman?”

„Ja, ik ben graaf Grasham, en ik kom u de dertien duizend pond sterling terugvragen, welke mij eerst door de Rooden zijn afgenomen en aan hen weder door uwe troepen, die u het geld ter hand hebben gesteld.”

„Wel, wel! En hoe zijt gij aan die wijsheid gekomen?” vroeg de generaal op spottenden toon, maar zijn oogen hadden een dreigende uitdrukking.

„Dat doet er minder toe, generaal,” antwoordde Raffles koeltjes. „De hoofdzaak is, dat ik het zeer nauwkeurig weet. Wij zullen niet veel woorden verspillen, ik verzoek u mij mijn geld terug te willen geven!” [27]

„Gij schijnt in het geheel geen rekening te hebben gehouden met de mogelijkheid, dat ik wel eens zou kunnen weigeren, of zou ontkennen, het geld onder mijn berusting te hebben!”

„Gij hebt gelijk, generaal, ik heb er natuurlijk geen oogenblik aan gedacht, dat een generaal, en zulk een hooggeplaatste, van het Hongaarsche leger een schoft zou kunnen zijn!”

Esterházy stond halverwege uit zijn stoel op en maakte een onwillekeurig gebaar in de richting van zijn revolver.

Hij wist zich echter te beheerschen en hernam:

„Gij durft nog al veel zeggen, graaf! Maar nu zult gij mij wel willen veroorloven, op mijn beurt eenige opmerkingen te maken, nu gij toch eenmaal hier zijt binnengedrongen! Wij strijden tegen een bende bloeddorstige bandieten. En daarbij komt gij zoo plotseling uit de lucht vallen, met zooiets van twaalf millioen kronen in uw zak en die worden u hier afgenomen door de Rooden! Gij zult toch wel inzien, dat het noodzakelijk zal zijn, dat alles een weinig aannemelijk te maken!”

Raffles deed dreigend een stap naar voren en vroeg op gesmoorden toon:

„Gij houdt mij dus voor een leugenaar?”

„Dat woord heb ik niet gebruikt! Maar gij zult het mij ten goede houden, als ik nadere bewijzen vraag! Iedereen zou mij immers zulk een verhaal kunnen opdisschen?”

„Ah zoo, waait de wind uit dien hoek?” zeide Raffles minachtend. „Wel, ik zal u de volle maat geven! Luister dan naar het relaas van wat ons hier wedervaren is!”

En nu deelde Raffles generaal Esterházy, die zenuwachtig met zijn penhouder speelde en zijn sigaar voor de helft had opgekauwd, mede, wat er geschied was van het oogenblik af, dat hij door baron Palocza met zijn rijtuig van het station te Temesvár werd gehaald.

Generaal Esterházy had met klaarblijkelijk ongeduld toegeluisterd, maar aan de uitdrukking van zijn gelaat kon Raffles zeer goed zien, dat hij dit alles reeds wist.

Toen hij gereed was, besloot de Groote Onbekende:

„Ik geloof niet, dat ik hieraan nog iets behoef toe te voegen, generaal! Het geld is mijn eigendom, ik wensch er over te beschikken, geef het mij terug!”

„Een oogenblik, graaf!” riep de generaal uit. Waar is baron Palocza op dit oogenblik?”

„Op weg naar Temesvár!”

„Hij zou dus uw verklaring niet door zijn getuigenis kunnen bevestigen?”

„Neen, die wordt alleen door mijn woord als edelman bevestigd en door de getuigenis van mijn secretaris!” antwoordde Raffles.

„Komaan, en dat moet mij voldoende zijn, dunkt u?” riep generaal Esterházy op sarrenden toon. „Laat mij u dan zeggen, dat het mij volstrekt niet voldoende is! Gij zegt, dat de Rooden u uw geld ontnomen hebben, en dat wil ik ook wel aannemen, ofschoon de hoogte van het bedrag mij verdacht voorkomt! Maar het is een foute veronderstelling, als gij meent, dat het daarna weder in andere handen is overgegaan!”

Raffles deed met gebalde vuisten een stap naar den schurk toe en zeide op doffen toon:

„Gij weigert dus mij mijn eigendom terug te geven?”

„Ik moet wel weigeren, want ik bezit het niet!” antwoordde Esterházy.

„Hebt gij wel eens bedacht, generaal, dat dit voor u zeer ernstige gevolgen zou kunnen hebben, dat ik mij zou kunnen wenden tot den Engelschen zaakgelastigde te Boedapest?”

Esterházy haalde de schouders op, dat het bloed van Charly Brand aan het koken bracht.

„De Engelsche zaakgelastigde zal ook wel begrijpen, dat hij er niets aan kan doen! Vergeet niet, dat de streek in staat van beleg is, ik ben hier almachtig! En als ik u een goeden raad mag geven, blijft dan niet langer hier, dan volstrekt noodzakelijk is, maar keer zoo spoedig mogelijk naar uw land terug! Als u wilt, zal ik u een vrijgeleide geven tot Temesvár. Daar kunt gij den trein nemen, geloof mij, gij doet het best, als gij u in uw verlies schikt.”

De generaal had dit alles op zoetsappigen toon gezegd, maar in zijn zwarte oogen glinsterde een valsch licht.

Hij trommelde spelenderwijs met zijn vinger op het tafelblad, maar vlak in de nabijheid van de electrische schel.

Raffles begreep, dat hij zich aan een zeer groot [28]gevaar zou stellen onder deze omstandigheden te trachten, zijn bezit met geweld in handen te krijgen.

Bij de eerste verdachte beweging zou de generaal op de bel drukken of schreeuwen, de officieren, tien in getal minstens, zouden komen toestormen, en men zou hen waarschijnlijk onmiddellijk als gevaarlijke indringers fusilleeren of op zijn best gevangen zetten.

Raffles bedwong zich dus en wisselde een snellen blik met Charly Brand, die op het punt scheen te staan, zich op den generaal te werpen.

Zijn stem had haar gewonen klank behouden, toen hij op zakelijken toon zeide:

„Dat alles klinkt zeer vriendelijk, generaal, maar ik hoor in uw woorden een duidelijke bedreiging! Ik weet, waartoe gij in staat zijt, en voor het oogenblik hebt gij aan het langste eind getrokken. Maar ik begeef mij nu aanstonds naar Boedapest en ik zou wel eens willen zien, of de zaakgelastigde van mijn land werkelijk niet in staat zou zijn, het gestolen geld weder uit uw handen los te krijgen!”

En daarop maakten de beide Engelschen rechtsomkeert en verlieten het vertrek weder, terwijl de generaal hen met een hatelijken grijns op de dikke lippen nakeek. [29]

[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

Wie het laatst lacht.…..

Raffles en Charly verlieten haastig het gebouw en voegden zich weder bij Henderson, die geduldig had staan wachten.

„Nu kunnen wij tenminste weer naar Londen terugreizen, Mylord!” zeide de reus handen wrijvend. „Ik zal blij zijn, als ik weer eens een goed warm bad kan nemen.”

„Je zult dat verlangen nog een tijdje moeten temperen, Henderson, want wij bezitten geen rooden duit!” hernam Raffles.

„Wat is dat? Heeft de schobbejak geweigerd, u het geld terug te geven?” riep Henderson uit. „O, wacht eens even, dat zal ik hem anders gaan vertellen!”

Nog juist bijtijds grepen Raffles en Charly den reus ieder bij een arm beet, om hem te weerhouden, zijn onzinnig plan ten uitvoer te brengen!

Inderdaad, het Raadhuis wemelde van officieren en soldaten en niemand zou aarzelen van zijn wapens gebruik te maken, als men moest vreezen, dat er een aanslag zou gepleegd worden op den generaal.

Esterházy was niet bepaald bemind onder zijn inferieuren, maar hij was een uitmuntend legeraanvoerder, hij had zeer veel invloed, men moest hem te vriend houden in deze tijden van onrust en bloedige woelingen.

„Luister eens, Henderson, bega geen dwaasheden!” zeide Raffles op strengen toon. „Je moest begrijpen, dat het tot niets zou dienen, wanneer je daar als een wildeman zou binnenstormen, om den fielt te dwingen ons het afgenomen geld terug te geven. Je zoudt zijn neergeschoten, vóór je tien stappen gedaan had!”

„Maar gij zijt toch niet van plan, Mylord, om het hierbij te laten?” hernam de reus.

„Ik denk er niet aan, Henderson!” zeide Raffles. „Ik verlaat Hongarije niet voor die bandiet mij mijn dertien duizend pond sterling weder heeft terug gegeven, goedschiks of kwaadschiks en bovendien nog een kleinigheid van het andere geld dat hij gestolen heeft, om mij schadeloos te stellen voor mijn moeite! Maar, ik herhaal nogmaals, met geweld bereiken wij niets, wij moeten list te baat nemen!”

Charly knikte nadrukkelijk eenige malen met het hoofd en zeide overredend:

„Zoo is het, Henderson! Wij zouden hier met ruwe kracht niet veel doen!”

Raffles had een blik op zijn horloge geworpen.

Het was nu vier uur in den middag.

Over een paar uren zou de zon ondergaan en als de duisternis gevallen was, zou het drietal een poging kunnen wagen, weder in het bezit te geraken van het geld.

Dat Esterházy het op het oogenblik in zijn bezit had, dat het geld zich bevond in dezelfde kamer, waar hij zooeven geweest was, dat stond voor hem als een paal boven water.

Maar ook begreep hij, dat hij zich in acht zou moeten nemen, die Esterházy was een gevaarlijk man, en Raffles achtte hem er best toe in staat, dat de schurk hem en zijn vrienden eenige soldaten achterna zond, met de opdracht een gevecht uit te lokken en hen neer te schieten, om aldus bevrijd te worden van een paar lastige getuigen.

Er zouden altijd wel een paar gewetenlooze schobbejakken te vinden zijn, bereid om voor een bloedprijs dit werkje op te knappen.

Het zou dus zaak zijn, de grootste voorzichtigheid in acht te nemen, en zich niet bloot te geven.

Voor alles besloot Raffles, dat de drie mannen [30]zich zouden vermommen, zoo goed als het ging, onder de gegeven omstandigheden.

In de valiezen, welke zij bij zich hadden, bevonden zich weliswaar de noodige middelen, om hun gelaat te kunnen veranderen, maar de kleeren hadden zij niet.

En zoo besloot Raffles, dat zij zich allereerst die kleeren zouden gaan verschaffen.

De drie mannen namen hun valiezen op en gingen het dorp uit.

Maar zij waren nog niet tot de laatste huizen genaderd, of zij bemerkten, dat zij van het gemeentehuis af gevolgd waren door drie soldaten van de Witte garde, waarvan ieder politierapport ter wereld met recht zou hebben kunnen getuigen, dat zij „een hoogst ongunstig uiterlijk” hadden.

Zij droegen een volledige uniform, bijna nog nieuw, en alle uitrustingsstukken, grijslederen koppels, de bajonet in de schede op zijde en het geweer over den schouder.

De drie Engelschen hadden elkander al eens een blik vol beteekenis toegeworpen en nu sprak Raffles:

„Voor iets dergelijks was ik al bevreesd. De ellendeling heeft ons een paar gehuurde moordenaars achterna gezonden! Hij is dus een nog grooter schurk dan ik eerst vermoed had!”

„Maar intusschen zou ik wel eens willen weten, hoe wij ons de kerels van het lijf moeten houden, als wij op zoek zijn naar den een of anderen inwoner, die ons aan de noodige kleeren kan helpen!” merkte Charly op.

„Heel eenvoudig, mijnheer Brand! Ik zal hen tegen den grond slaan!” zeide Henderson met zijn goedige basstem.

„Een prachtige inval, Henderson, maar om dat te doen, moet je bij hen zijn, en voor je bij hen bent, zullen zij je waarschijnlijk een kogel door de hersens hebben gezonden!”

„Daar had ik zoo gauw niet aan gedacht, mijnheer Brand, dan moet Mylord het maar zeggen!” kwam Henderson verlegen.

„Mij dunkt, dat het beste is, wanneer wij doen, alsof wij hen niet zien, en hen dan naar een of andere afgelegen plek lokken! Dan zou Henderson zich van ons kunnen afscheiden en terwijl wij, schijnbaar niets vermoedend, met de drie soldaten een gesprek beginnen, zou onze brave reus hen onverhoeds kunnen overvallen en als het noodig is, spreken onze revolvers dan ook nog een woordje mee!”

Aldus werd afgesproken en de drie mannen gingen het dorp uit.

De zon verdween juist achter de toppen der bergen in het Westen, toen zij den zoom bereikten van een klein bosch, waardoor de straatweg zich slingerde.

En hier was Henderson plotseling verdwenen, alsof hij door den grond was gezonken.

Maar Raffles en Charly liepen kalm door en vervolgden langzaam hun weg.

De drie soldaten behoorden waarschijnlijk niet tot de snuggersten, want zij doorzagen de hinderlaag volstrekt niet, of zij vertrouwden al te zeer op hunne geweren, want zij liepen verder en verhaasten nu hun schreden, om spoedig in het bosch te zijn, dat hun misdadig opzet zou verbergen.

Maar nauwelijks waren zij de eerste boomen voorbij en een kromming van den weg gepasseerd en hadden zij Charly en Raffles tot ongeveer vijftig meter genaderd, toen Henderson eensklaps te voorschijn sprong uit het boschje, waarin hij zich verscholen had, en het volgend oogenblik als een bom midden tusschen de drie onthutste moordenaars viel.

Nog voor zij hun geweer in den aanslag hadden kunnen brengen, had Henderson aan twee der mannen hun geweren ontrukt en met een van deze wapens sloeg hij den derde, die juist den trekker wilde overhalen, zoo hard op het hoofd, dat de man als een zoutzak neerviel, om nooit meer op te staan.

De twee ellendelingen hadden hun bajonet getrokken en wierpen zich met een gebrul als van wilde dieren op den reus, maar Henderson deed een geweldigen sprong achteruit, zwaaide het geweer als een rietje rond en trof er de beide aanvallers zoo hevig mede tegen het hoofd, dat zij zonder een kreet te slaken neerstortten.

Nog vóór Raffles en Charly op de plaats van het gevecht waren aangekomen, was alles reeds afgeloopen.

Henderson leunde op het geweer en zeide bedremmeld:

„Ik weet niet, of het de bedoeling was, Mylord, maar ik schijn hen wel een weinig ruw te hebben aangepakt!” [31]

„Min of meer!” zeide Raffles sarcastisch. „Zij zijn dood!”

„Is het erg, Mylord?” vroeg de reus, zich achter het oor krabbend.

„Volstrekt niet, Henderson,” antwoordde Raffles koeltjes. „Die gehuurde moordenaars verdienden niet beter. En ik zeg je dank, dat je weder ons leven hebt gered! Zonder het te weten, heeft Esterházy door ons deze sluipmoordenaars op het dak te sturen in onze kaart gespeeld, want wij wilden immers kleederen hebben? Welnu, daar zijn zij!”

„Waarachtig!” riep Charly uit. „Je hebt gelijk, het kon niet mooier! Er is een heel groote kerel bij en misschien zal Henderson zijn uniform wel kunnen aantrekken.”

In een ommezien waren de drie moordenaars van hunne uniform ontdaan en de drie mannen begonnen ze aan te trekken.

Gelukkig was het bosch op dit uur van den dag geheel verlaten en de invallende schemering was nog maar juist toereikend, om Raffles te veroorloven de gelaatstrekken van zijn makkers en van zich zelf zoo goed mogelijk op die van de drie verslagen moordenaars te doen gelijken.

Daarop sleepten zij de drie lijken der nietswaardige ellendelingen in een soort kuil terzijde van den weg, bedekten ze met bladeren, en wachtten toen rustig af, tot dat de duisternis geheel zou zijn gevallen.

Een uur later trokken zij weder in de richting van het dorp.

Maar alvorens nu daar binnen te treden, begaven zij zich naar een groote hoeve, waar Raffles reeds twee uren geleden een boerenwagen en een flink paard had zien staan.

Hij trof den boer op het erf aan en ofschoon de man geen woord Duitsch verstond, was de zaak spoedig beklonken, en had Raffles paard en wagen voor een zeer hoog bedrag gehuurd. De boer zou zijn eigendom zelf besturen, en moest zich gereed houden, om half twaalf in den nacht te kunnen wegrijden.

Raffles wist, dat dan alles in het hoofdkwartier reeds ter ruste zou zijn, want de dag was zeer vermoeiend geweest.

Zij moesten nog eenige uren wachten en gingen toen het dorp binnen, waar zij zich dadelijk naar het gemeentehuis wendden.

Hun vermomming scheen voortreffelijk geslaagd te zijn, want niemand hield hen aan en eenige soldaten wuifden hen in het voorbijgaan toe.

Zij waren echter slechts zeer weinig in aantal, want alles sliep reeds in het dorp.

Nog altijd liep een schildwacht voor de deur van het gemeentehuis op en neer, het geweer op den schouder.

Raffles verzamelde al zijn kennis van de Hongaarsche taal, trad op den man toe en zeide fluisterend: „De generaal, dadelijk!”

Zonder zich een oogenblik te bedenken opende de schildwacht de deur met een grooten sleutel, dien hij uit zijn zak haalde en de drie mannen gingen binnen, bestegen de trap, kwamen in het voorvertrek, waar twee ordonnances zaten te knikkebollen, die slechts half wakker werden, en werden door deze in het vertrek van den generaal gelaten, misschien vermoedden zij wel eenigzins de taak van deze drie soldaten en meer dan waarschijnlijk had Esterházy last gegeven, dat zij onmiddellijk bij hem moesten toegelaten worden, zoodra zij zich aanmeldden.

De generaal zat achter zijn schrijftafel, in zijn hemdsmouwen, en met een sigaar in den mond.

De flesch port was, op een klein restantje na, geledigd, hetgeen zeer duidelijk te zien was aan de gelaatskleur van den bevelhebber.

Zoodra zij de deur waren binnengekomen, draaide Raffles den sleutel in het slot om en zeide op zachten toon in het Engelsch een paar woorden tot Henderson.

De generaal draaide zich op zijn stoel om, keek de drie gewaande soldaten met onzekeren blik aan en vroeg toen in het Hongaarsch:

„Is alles goed gegaan, kindertjes?”

„Uitstekend, vadertje!” antwoordde Raffles spottend.

„Ik geloof waarachtig dat de kerel mij uitlacht!” kwam de generaal, die zijn ooren niet scheen te kunnen gelooven.

„Dat doe ik ook, vadertje!” hernam Raffles, „en wie het laatst lacht, die lacht het best!”

Hij knikte Henderson toe, die zich onmerkbaar wat dichterbij den generaal had begeven en een [32]seconde later zat de ijzerharde vuist van den reus op de kin van den ongelukkige Esterházy, met het onvermijdelijk gevolg, dat deze zonder een kreet te slaken in zijn stoel achterover zakte en een zucht liet, als een speelgoed ballonnetje, waarin men een speld geprikt heeft en dat plotseling leegloopt.

De drie mannen lieten geen tijd verloren gaan.

In een oogwenk had Raffles schrijftafel, kisten en kasten doorzocht en binnen vijf minuten had hij niet alleen zijn eigen portefeuille teruggevonden met al het geld er in, maar bovendien nog een groot bedrag aan Duitsch, Oostenrijksch en Fransch geld.

Hij stak alles bij zich en daarop aanvaardden de drie soldaten kalmpjes den terugtocht, bromden iets tegen de alweder slapende ordonnancen en stonden een oogenblik later weder op straat.

Zij snelden naar de hoeve, vonden daar den wagen reeds aangespannen en daarop reden zij den donkeren nacht tegemoet, naar Temesvár, waar zij veilig en buiten het bereik van generaal Esterházy zouden zijn.…

[Inhoud]

De volgende aflevering (No. 353) bevat:

De Indische Goochelaar.

Inhoudsopgave

I. Van den os op den ezel. 1
II. De aanval op het landgoed. 5
III. Nog eens van den os op den ezel. 10
IV. De vlucht. 14
V. De tien millioen verwisselen opnieuw van eigenaar. 18
VI. De kennismaking met generaal Esterházy. 23
VII. Wie het laatst lacht.….. 29

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 89 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
1 [Niet in bron] , 1
1, 2 Budapest Boedapest 2
2 Rumeensche Roemeensche 2
3, 4 Horvath Horváth 1 / 0
3, 3, 4, 12, 15, 16 Kronen kronen 1
3, 23, 23 terug keeren terugkeeren 1
3, 5, 10 Pond pond 1
3, 5, 22 Sterling sterling 1
3 Daranyi Darányi 1 / 0
3 moeielijke moeilijke 1
5 Ponden ponden 1
6 anderzins anderszins 1
6 zoo als zooals 1
6, 6 Paloczy Palocza 1
7 Uw uw 1
9, 25, 27 [Niet in bron] 1
11 Da theeft Dat heeft 2
11 vermoort vermoord 1
11 1
11 [Niet in bron] 1
14 Temesvàr Temesvár 1 / 0
15 den de 1
16 welicht wellicht 1
16 Palaczo Palocza 2
17 binnenruken binnenrukten 1
17 vrij geleide vrijgeleide 1
19 zoo dat zoodat 1
19 waarschijnliijk waarschijnlijk 1
20 gefusileerd gefusilleerd 1
Passim. Esterhazy Esterházy 1 / 0
22 dantrekken aantrekken 1
22 aat dat 1
24 Gefusileerd Gefusilleerd 1
24 Bereny Berény 1 / 0
25 rijtruig rijtuig 1
25 raadhuis,en raadhuis, en 1
25, 28, 31 onmiddelijk onmiddellijk 1
26 offen [Verwijderd] 6
26 militairisme militarisme 1
26 , [Verwijderd] 1
26 terug vragen terugvragen 1
28 fusileeren fusilleeren 1
29 , . 1
32 balonnetje ballonnetje 1
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 79611 ***